Sluiten

NTKR, Tijdschrift voor Recht en Religie

2017 / 2 (December)

De relatie tussen de vrijheid van godsdienst voor geloofsgemeenschappen op organisatorisch vlak en de vrijheid van vereniging

1.Inleiding

De bedoeling van deze bijdrage is om na te gaan of geloofsgemeenschappenIk hanteer de termen geloofsgemeenschap en religieuze organisatie als alternatief. Wanneer het specifiek gaat om de gelding van art. 2:2 BW spreek ik van kerkgenootschappen. Niet alle religieuze organisaties in ons land hanteren deze rechtspersoonsvorm. op het punt van organisatorische vrijheid aan de vrijheid van godsdienst meer bescherming ontlenen dan aan de vrijheid van vereniging en of dit al dan niet gerechtvaardigd is.Hierbij bouw ik voort op mijn bijdrage ‘De eigen waarde van de godsdienst’, in: H.M.A.E. van Ooijen, L.F. Egmond, Q.A.M. Eijkman c.s., Godsdienstvrijheid: afschaffen of beschermen?, Leiden: NJCM boekerij 2008, p. 69 e.v. Het is de vraag of in een tijd van scheiding van ‘kerk en staat’Er is een scheiding wanneer de staat zich niet met de interne zaken van de kerk bemoeit en de kerk geen taken van de staat op zich neemt. Voor het overige zijn de banden tussen de ‘kerk’ en de staat in Europa heel verschillend. Zie A. Overbeeke & J.W. Sap, ‘Het recht van de Europese Unie over religie en geloofsgemeenschappen’, in: L.C. van Drimmelen & T.J. van der Ploeg, Geloofsgemeenschappen en recht, ’s-Gravenhage: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 268 e.v. en secularisatie afzonderlijke bescherming van godsdienst nog past. Door die extra bescherming zouden immers sommigen bevoorrecht worden. Ik zal mij in deze bijdrage niet begeven in de discussie over de legitimiteit van de vrijheid van godsdienst,Zie m.n. P.T. de Beer, ‘De paradox van de godsdienstvrijheid’, in: Van Ooijen c.s., a.w. (noot 2), p. 27 e.v. Zie voor bestrijding van dit standpunt de bijdragen van B.P. Vermeulen en anderen in die bundel. al wil ik niet verhelen dat ik meen dat die legitimiteit er wel degelijk is. In de desbetreffende discussie gaat het meestal niet om de specifieke betekenis van de godsdienstvrijheid voor religieuze organisaties vergeleken met de vrijheid van vereniging. Eerst beschrijf ik kort de reikwijdte van de vrijheid van vereniging en van godsdienst in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (par. 2 en 3). Een belangrijk recht dat zowel op de vrijheid van vereniging als op de (collectieve) vrijheid van godsdienst gebaseerd kan worden, is het recht om als organisatie rechtspersoonlijkheid te verkrijgen (par. 4). Daarna bespreek ik welke beperkingen het EVRM wel of niet toestaat op deze vrijheden (par. 5). Dat betreft achtereenvolgens: het recht om informeel en niet geregistreerd te zijn (par. 5.1), de kwestie of de overheid eisen mag stellen aan de structuur van organisaties (par. 5.2) en de vraag of de overheid inbreuk mag maken op de autonomie van de (religieuze) organisatie (par. 5.3). In par. 6 ga ik de consequenties na van de vrijheid van vereniging en van de vrijheid van godsdienst met betrekking tot het lidmaatschap van een (religieuze) organisatie. Het betreft de aspecten aard en inhoud van het lidmaatschap (par. 6.1), het aangaan van het lidmaatschap (par. 6.2), opzegging van het lidmaatschap door het lid (par. 6.3) en opzeggen en ontzetting van het lidmaatschap door de (religieuze) organisatie (par. 6.4). In par. 7 breng ik de conclusies samen. Ik ga uit van de Nederlandse situatie, maar betrek regelmatig de situatie in andere Europese landen erbij wanneer het bredere perspectief beter inzicht geeft in de reikwijdte van de Europese grondrechten.

2.De reikwijdte van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van godsdienst in het EVRM

Als uitgangspunt voor beide genoemde vrijheden neem ik het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omdat dit zowel in ons land als in de andere aangesloten Europese landen het recht mede bepaalt. Een belangrijk aspect hiervan is dat de inwoners, inclusief organisaties, in de bij dit verdrag aangesloten landen een beroep op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen doen en dit Hof aan de aangesloten staten sancties kan opleggen. Bovendien kan op de desbetreffende EVRM-bepalingen een beroep worden gedaan bij de Nederlandse rechter omdat dit eenieder verbindende verdragsbepalingen zijn.

De vrijheid van godsdienst heeft veel oudere papieren dan de vrijheid van vereniging, maar oorspronkelijk was de vrijheid van godsdienst vooral gericht op het individu. In de Grondwet van 1848 kwamen beide grondrechten op gelijkwaardige wijze in onze grondwet.Zie B.P. Vermeulen, art. 6 (p. 93 e.v.) en B.M.J. van der Meulen, art. 8 (p. 137 e.v.) in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet, 3e druk, Deventer: Tjeenk Willink 2000. In de Grondwet van 1815 werd in art. 190 e.v. formeel de vrijheid van godsdienst ook gegarandeerd.

Volgens art. 11 lid 1 EVRM heeft ‘een ieder recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten’. Lid 2 luidt: ‘De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’

Niet alleen individuen hebben recht op vrijheid van vereniging, dit geldt ook voor de private organisaties, d.w.z. wanneer deze als een verband van personen zijn te beschouwen.Zie W.J.M. van Veen, ‘Civil society in Europe and the European convention on Human Rights’, in: T. van der Ploeg, W. van Veen & C. Versteegh, Civil society in Europe, minimum norms and optimum conditions of its regulation, Cambridge: Cambridge University Press 2017.

In art. 9 EVRM wordt de vrijheid van godsdienst op twee manieren beschermd. In lid 1 wordt als eerste gesteld: ‘Een ieder heeft de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen.’ Dit wordt het forum internum genoemd en deze vrijheid is in principe absoluut.

Daarnaast is er de vrijheid om hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften. Dat is het forum externum. Deze vrijheid kan wel aan beperkingen worden onderworpen, maar alleen wanneer dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Deze beperkingsmogelijkheden zijn vrijwel hetzelfde als ten aanzien van de vrijheid van vereniging.Bij de vrijheid van vereniging worden nog als toegestane doelen om de vrijheid te beperken genoemd: het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Naar ik aanneem valt dit bij de vrijheid van godsdienst onder de regels ter bescherming van de openbare orde.

Niet alleen individuen, ook religieuze organisaties zelf – dus niet als vertegenwoordiger van haar leden – kunnen drager zijn van de vrijheid van godsdienst, zo heeft het ECieRM in 1980 erkend.ECRM 14 juli 1980, nr. 8282/78 (Church of Scientology a.o. vs. Zweden).

Uit beide bepalingen van het EVRM blijkt duidelijk dat de staat zich ten opzichte van religie en ten opzichte van maatschappelijke organisaties terughoudend moet opstellen. De vrijheid staat voorop. Democratie en pluralisme zijn nauw verbonden met deze rechten.Zie voor de vrijheid van vereniging bijv. EHRM 17 februari 2004, nr. 44158/987 (Gorzelik vs. Polen) en voor de vrijheid van godsdienst bijv. EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, (2002) 34 EHRR 1339 (Hasan & Chaush vs. Bulgarije). Scheiding van kerk en staatDesalniettemin worden staatskerken door het EHRM verenigbaar geacht met het EVRM. Het bestaan van een staatskerk houdt niet in dat er daarnaast geen andere religies zijn toegestaan, en het houdt dus ook niet in dat de bewoners van het desbetreffende land verplicht lid zijn van de staatskerk. en, daaraan gekoppeld, de neutraliteit van de staat ten aanzien van godsdienst zijn uitgangspunten voor een democratische samenleving,Zie M.C. Burkens c.s., Beginselen van de democratische rechtsstaat, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 29-30. waarnaar het EVRM in onder andere art. 9 en 11 verwijst. Overigens is er in de praktijk van de verhoudingen tussen de staat en religieuze organisaties een veelheid aan variaties voor wat betreft de onderlinge banden.Zie noot 1. Blijkbaar valt dit onder het cultureel erfgoed/de traditie waarop het EHRM met behulp van de ‘margin of appreciation’ geen inbreuk wenst te maken.De ‘margin of appreciation’ is de ruimte die het EHRM aan de landen laat bij het interpreteren van de beperkingen die door het land ten aanzien van het EVRM mensenrechten kunnen worden aangebracht. Wat noodzakelijk is in een democratische samenleving hangt ook af van de plaatselijke omstandigheden.

Wanneer de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst ten opzichte van de vrijheid van vereniging wordt vergeleken, moet ten eerste worden geconstateerd dat religieuze organisaties en hun leden ook de vrijheid van vereniging genieten. Dat betekent dat religieuze organisaties en hun leden in ieder geval dezelfde rechten op grond van de vrijheid van vereniging hebben als andere organisaties.Zie hierover L.S. Lehnhof, Freedom of religious association: The right of religious organizations to obtain legal entity status under the European Convention, Brigham Young University: J. Reuben Clark Law School 2002, p. 561 e.v., m.n. p. 580 e.v. Hij verwijst in dit verband ook naar art. 14 EVRM op grond waarvan niet gediscrimineerd mag worden op grond van godsdienst (zie p. 588). Welke rechten uit de vrijheid van vereniging ook voor religieuze organisaties gedestilleerd kunnen worden zal ik hierna behandelen. Het EHRM heeft sinds 2000 consequent de lijn aangehouden dat bij religieuze organisaties zowel art. 9 als art. 11 EVRM aan de orde is.EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, (2002) 34 EHRR 1339 (Hasan & Chaush vs. Bulgarije), par. 57 en 62 en EHRM 14 december 2001, nr. 45701/99, (2002) 35 EHRR 306. Zie ook in deze zin: P. Schouppe, La dimension institutionelle de la liberté de religion dans la jurisprudence de la cour Européenne des droits de l’homme, Parijs: Pedone 2015, p. 259.

Het is overigens duidelijk dat de in art. 9 lid 1 EVRM beschreven uitingen van (collectieve) godsdienst (het houden van erediensten, verbreiden van de godsdienst, godsdienstige opvoeding en onderwijs etc.) die beschermenswaardig worden genoemd voor de religieuze organisaties een meerwaarde hebben boven de vrijheid van vereniging. In deze bijdrage ga ik op deze uitingenZie hierover A. Overbeeke, ‘De betekenis van de vrijheid van godsdienst in EVRM en grondwet voor geloofsgemeenschappen’, in: Van Drimmelen & Van der Ploeg, a.w. (noot 3), p. 237 e.v., m.n. p. 250 e.v. Zie ook J. Rivers, The law of organized religions, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 59 e.v. niet verder in maar concentreer ik mij op de organisatorische aspecten.

3.Vallen alle religieuze organisaties onder de vrijheid van vereniging?

De vraag is of alle geloofsgemeenschappen/religieuze organisaties vallen onder de vrijheid van vereniging. De regulering van religieuze organisaties is in Europa heel verschillend. Er zijn landen waar sprake is van een ‘staatskerk’ of van anderszins publiekrechtelijke religieuze organisaties, zoals bijvoorbeeld in Engeland, Duitsland, Oostenrijk en Italië, en er zijn landen waar voor religieuze organisaties een bijzondere privaatrechtelijke rechtsvorm bestaat, zoals Zweden en Nederland. Daarnaast zijn er in alle genoemde landen ook religieuze organisaties die een seculiere rechtsvorm, zoals een vereniging of stichting hebben. Het ligt voor de hand dat religieuze organisaties van privaatrechtelijke aard onder de vrijheid van vereniging vallen. De vraag is of dit ook geldt voor religieuze organisaties met een publiekrechtelijk karakter. Immers publiekrechtelijke verenigingen vallen er niet onder.Vgl. Le Compte a.o. (Ordre des medecins vs. Belgium), (23 juni 1981), Series A, no. 43, (1982) 4 EHHR 1 (geen vereniging in de zin van art. 11) en Sigurdur A. Sigurjonsson vs. Iceland, (20 juni 1993) Series A, no. 264-A; (1993) 16 EHHR 462 (de vereniging van taxichauffeurs was een private vereniging en was autonoom in de zin van art. 11). Zie Jacobs & White, The European Convention on Human Rights, 4th edition by C. Ovey & R.C.A. White, Oxford: Oxford University Press 2006, p. 337. Vanwege het feit dat er bij religieuze organisaties met een publiekrechtelijk karakter sprake is van vrijwillig lidmaatschap vallen deze organisaties echter wel onder de vrijheid van vereniging.In EHRM (Rommelfanger vs. Duitsland), nr. 12242/86, verklaart het Hof dat een religieuze organisatie van publiekrechtelijke aard als een private organisatie in de zin van art. 25 ECHR kan worden gezien. De staat is dus niet verantwoordelijk voor het handelen van de publiekrechtelijke kerk. Zie T. van Kooten, ‘Religieuze gemeenschappen in het licht van artikel 9 EVRM’, in: H. Post & G. van der Schyff, Godsdienstvrijheid in de Nederlandse rechtsorde, Nationale en Europese perspectieven, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2014, p. 257 e.v., m.n. p. 273.

4.Het recht om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen

De vrijheid van vereniging brengt, zo laat de jurisprudentie van het EVRM zien, met zich mee dat vrijwillige organisaties op een niet bezwaarlijke wijze rechtspersoonlijkheid moeten kunnen verkrijgen. Immers door rechtspersoonlijkheid kan de organisatie zelfstandig in het rechtsverkeer optreden. Op het gebied van de regulering van verenigingen en stichtingen is er een grote verscheidenheid in de bij het EVRM aangesloten landen, ook voor wat betreft de bemoeienis van de overheid met de oprichting en het functioneren ervan.Zie uitgebreid Van der Ploeg, Van Veen, Versteegh, a.w. (noot 6), p. 92 e.v. Ten aanzien van seculiere organisaties geldt in veel landen dat de overheid toestemming moet geven voor het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid. Dit geldt met name ten aanzien van stichtingen. Ten aanzien van verenigingen volstaat veelal registratie bij een overheidsorgaan. De regel moge zijn dat registratie alleen kan worden geweigerd op grond van objectieve criteria;Recommendation CM/Rec (2007) 14 van de Raad van Europa, nr. 28. dat sluit niet uit dat er in de praktijk sprake kan zijn van willekeur of specifiek overheidsbeleid.Vgl. EHRM 10 juli 1998, nr. 57/1997/841/1047 (Sidiropoulos c.s. vs. Griekenland).

Wat dit betreft is er in Nederland geen probleem. Voor rechtspersoonlijkheid van verenigingen is geen notariële akte nodig, wel als er sprake moet zijn van volledige rechtsbevoegdheid. Voor stichtingen is alleen een notariële akte verplicht.De volledig rechtsbevoegde rechtspersonen dienen te worden geregistreerd in het Handelsregister. De Kamer van Koophandel pleegt geen inhoudelijke controle op doel en statuten. De ingeschreven bestuurders worden wel gecontroleerd. Zie T.J. Van der Ploeg, ‘Toezicht op stichtingen’, in: M.L. Lennarts, W.J.M. van Veen & D.F.M.M. Zaman, De stichting, Den Haag: Sdu Uitgevers  2011, p. 85 e.v.

Ook religieuze organisaties moeten eenvoudig rechtspersoonlijkheid kunnen verkrijgen. Dit kan zowel gebaseerd worden op de vrijheid van vereniging als op de collectieve vrijheid van godsdienst.Zie Recommendation CM/Rec (2007) 14 van de Raad van Europa, nr. 28-41 en Guidelines for review of legislation pertaining to religion or belief, Venice commission, OSCE/ODIHR 2004; substantive issues: F. Laws governing registration of religious/belief organizations, p. 16-17. Zie EHRM 14 december 2001, nr. 45701/99 (2002) 35 EHRR 306 (Metropolitan Church of Bessarabia vs. Moldavië), par. 12-30. Hierover. Lehnhof, a.w. (noot 16), p. 561 e.v. Een recent voorbeeld biedt EHRM 16 november 2017, nr. 3532/07 (Orthodox Ohrid Archdiocese vs. voormalige Joegoslavische republiek Macedonië). Gewoonlijk bestaat er ten aanzien van de verlening van rechtspersoonlijkheid aan religieuze organisaties als zodanig een andere regeling dan ten aanzien van verenigingen en stichtingen.

In Europa zijn de regelingen ten aanzien van de rechtspersoonlijkheid, speciaal voor religieuze organisaties heel verschillend.Zie noot 4 hiervoor. Vaak is hierbij sprake van een of andere vorm van erkenning door de overheid.Vgl. N. Doe, Law and religion in Europe, Oxford: Oxford University Press 2011, p. 92 e.v. In Nederland hebben kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid niet door erkenning, maar door hun maatschappelijke bestaan.De rechter is de instantie die uiteindelijk bepaalt of een organisatie terecht claimt kerkgenootschap te zijn.

Bij het toekennen van de bijzondere rechtspersoonsvorm aan religieuze organisaties dient de overheid hen gelijk te behandelen (art. 14 EVRM). Er mogen wel objectieve en redelijke vereisten worden gesteld.Zie EHRM 31 juli 2008, nr. 40825/98 (Jehova getuigen vs. Oostenrijk), par. 93. Religieuze organisaties die hetzij niet aan de eisen voor de specifieke rechtspersoonsvorm voldoen of sowieso als godsdienstige organisatie geen erkenning van de overheid wensen, maken gebruik van een seculiere rechtsvorm (vereniging of stichting).In het Verenigd Koninkrijk zijn de andere geloofsgemeenschappen dan de staatskerken (Anglican en Presbyterian Church) aangewezen op de rechtsvormen trust en corporation. Vaak valt die religieuze organisatie niet samen met de seculiere rechtsvorm, maar is deze een hulp-rechtspersoon voor de religieuze organisatie. Zie ook par. 5.2 hierna.

5.Grenzen aan de beperkingen die aan de vrijheid van vereniging en godsdienst kunnen worden gesteld op organisatorisch vlak

De beperkingen die op de vrijheid van vereniging en van (collectieve) godsdienst kunnen worden aangebracht zijn in het EVRM op min of meer dezelfde wijze begrensd. Zij moeten deel uitmaken van het recht en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving om daarmee grof gezegd de openbare ordeDe interne structuur van religieuze organisaties zal zelden aanleiding vormen voor maatregelen op grond van strijd met de openbare orde. De sancties op strijd met de openbare orde laat ik hier derhalve buiten beschouwing. Ook op antisektenwetgeving ga ik niet in. Zie daarover nader Eschatologische bewegingen in Nederland: Religiewetenschappelijke en juridische bevindingen (rapport in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), N. de Jong, F.T. Oldenhuis, C.K.M. von Stuckrad, P.S. van Mourik-Visser & J.J. Westert, RUG april 2013, m.n. hfdst. 4. en de rechten van derden te beschermen. Een belangrijke karaktertrek van de vrijheid beperkende wetgeving dient te zijn dat de regeling duidelijk is, zodat de burger of de organisatie zich kan aanpassen.Zie F. Eikelboom & A.L. Mohr, ‘De vrijheid van vereniging en ingrijpen in de rechtspersoon in de enquêteprocedure’, in: C.H.C. Overes & W.J.M. van Veen, Met recht betrokken, Deventer: Kluwer 2012, p. 96 e.v., hier p. 97. Het nationale recht dat grondrechten beperkt mag ook niet willekeurig zijn.

Overigens is de formulering van de grens die aan beperkingen van de vrijheden in het EVRM worden gesteld tamelijk open. Het EHRM geeft bij de toepassing van het EVRM de landen de ruimte om met de nationale (juridische) cultuur rekening te houden. Zodoende is de margin of appreciation in verband met de vrijheid van vereniging en de vrijheid van godsdienst vrij ruim.Zie hierover Jacobs & White, a.w. (noot 19), p. 232 e.v. De margin of appreciation is niet altijd ruim. Het verplichten om een eed op de Heilige Schriften te doen voor parlementsleden werd in strijd met art. 9 EVRM geacht; EHRM 18 februari 1999 (Buscarini e.a. vs. San Marino), nr. 24645/94, (2000) 30 EHRR 208. Hetzelfde geldt voor het niet erkennen van de vrijheid van godsdienst van de Alevi’s door Turkije: EHRM 26 april 2016 (Dogan c.s. vs. Turkije), nr. 62649/10, waarover A.J. Overbeeke, EHRC 2016, nr. 167. Op organisatorisch vlak zal het EHRM echter niet snel strikt zijn daar er geen gezamenlijke organisatorische principes zijn.

5.1.De vrijheid van de (religieuze) organisatie om informeel te zijn en niet geregistreerd

Om de vrijheid van vereniging of van godsdienst te genieten, doet het er ook niet toe welke vorm de organisatie heeft. De overheid kan niet bepalen dat vrijwillige organisaties, of ze religieus zijn of niet, geregistreerd moeten worden. Meestal gaan rechtspersoonlijkheid en registratie samen. Vrijwillige organisaties zijn niet verplicht om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen en hebben de vrijheid om informeel te blijven.Zie Guidelines for review of legislation pertaining to religion or belief, Venice commission, OSCE/ODIHR 2004; substantive issues: F. Laws governing registration of religious/belief organizations, p. 16-17 en Recommendation CM/Rec (2007) 14 van het comité van ministers van de Raad van Europa ‘on the legal status of non-governmental organisations in Europe’, nr. 3. In de meeste Europese landen bestaan informele vereniging zonder rechtspersoonlijkheid en informele godsdienstige groepen.

Het is opvallend dat Nederland op dit punt twee steken laat vallen. Bij ons heeft een informele vereniging rechtspersoonlijkheid en gelden voor haar dezelfde interne regels als voor de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid (zie art. 2:26 BW). Echt informeel kun je dat niet noemen. Daarbij wordt in de rechtspraak vrij snel aangenomen dat er sprake is van een vereniging, ook als betrokkenen dat niet wensen.Willen ze daar niet onder vallen dan moeten ze aantonen dat ze geen vereniging zijn, maar een niet democratische groep en/of een contractuele eenheid; vgl. echter Rb. Utrecht 12 februari 1998, NJ 1998, 935 (Fascisme Onderzoeks Kollektief).Zie Dijk & Van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, 6e druk, Deventer: Kluwer 2013, par. 3.3. Het feit dat het naleven van het verenigingenrecht door informele verenigingen niet wordt gecontroleerd doet aan de systematische weeffout niet af.

Ten aanzien van geloofsgemeenschappen moet worden geconstateerd dat Nederland royaal is bij het verlenen van rechtspersoonlijkheid. Zonder formaliteiten verkrijgen kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid. Zij moeten wel aangeven als kerkgenootschap rechtspersoon te willen zijn (en niet als vereniging of stichting). Sinds 2008 moeten zelfstandige kerkgenootschappen zich laten registreren in het handelsregister.Zie nader art. 6 lid 3 Handelsregisterwet en art. 8 en 31 Handelsregisterbesluit. Niet registreren is verboden (art. 47 Handelsregisterwet). Ook hier doet zich een weeffout voor. Om de vrijheid van godsdienst te genieten behoeft een geloofsgemeenschap geen rechtspersoonlijkheid te zoeken, maar in het Nederlandse systeem is alleen voorzien in een bijzondere rechtspersoonsvorm (kerkgenootschap) met rechtspersoonlijkheid en (gemitigeerde) registratieplicht. Het zou nuttig zijn wanneer ook een ‘informeel’ kerkgenootschap zou bestaan, zonder registratieplicht net als een informele vereniging.De informele geloofsgemeenschap kan stellen een informele vereniging te zijn, maar is dat niet oneigenlijk?

5.2.Mag de overheid beperkingen stellen ten aanzien van de interne structuur?

De vrijheid van vereniging bewaakt vooral de mogelijkheid om zelfstandig – door rechtspersoonlijkheid – aan het rechtsverkeer deel te nemen en de vrijwilligheid van de betrokkenen. Wat betreft de interne structuur van de rechtspersoonsvormen zijn geen specifieke eisen uit de vrijheid van vereniging te destilleren. In veel landen in Europa zijn er voor niet-commerciële organisaties de rechtsvormen vereniging en stichting beschikbaar. De wetgeving ten aanzien van de interne structuur van deze rechtsvormen is binnen Europa heel verschillend.Zie Van der Ploeg, Van Veen & Versteegh, a.w. (noot 6), p. 76 e.v. Afwisselend zijn de regelingen betreffende de verenigingen en de stichting tamelijk gedetailleerd dan wel tamelijk globaal. In Nederland is de interne structuur van de vereniging behoorlijk uitgebreid en die van de stichting summier geregeld. De beperkingen die hier aan de organisaties worden gesteld zijn gekoppeld aan de rechtspersoonlijkheid van de rechtsvormen. Indien de regelgeving zo zou zijn dat de organisaties geheel aan de leiband van de overheid moeten lopen, zou dat een inbreuk op de vrijheid van vereniging zijn. Zolang de regelgeving tot doel heeft de belangen en rechten van de bij de organisatie betrokkenen en derden te behartigen, is er sprake van geoorloofde beperking van de vrijheid van vereniging.Zie E.A. Alkema, ‘Freedom of association and civil society’, in: Freedom of association, Strasbourg: Council of Europe 1994, p. 84. Het EHRM zal alleen in extreme gevallen bij zo’n regeling van strijd met de vrijheid van vereniging spreken. Tot nog toe heeft het zich niet voorgedaan.Het is denkbaar dat het EHRM oordeelt dat wettelijke eisen voor de interne structuur van rechtspersonen de vrijheid van vereniging in principe niet raken, omdat een organisatie niet verplicht is voor rechtspersoonlijkheid te kiezen.

In sommige Europese landen heeft volgens de wet een vereniging of stichting goedkeuring van de overheid nodig voor bepaalde rechtshandelingen.Van der Ploeg, Van Veen & Versteegh, a.w. (noot 6), p. 166 e.v. Ook komt het binnen Europa veel voor dat de overheid ten aanzien van stichtingen bepaalde bevoegdheden heeft vanuit de bescherming van het algemeen belang.Zie Van der Ploeg, Van Veen & Versteegh, a.w. (noot 6), p. 145 e.v. Bij verenigingen wordt de algemene vergadering geacht het toezicht uit te oefenen en worden aan overheidsinstanties geen bevoegdheden toegekend. Daarvoor bestaan vaak historische legitimaties, die in het desbetreffende rechtssysteem hun legitimiteit hebben behouden. Ook daartegen bestaat in principe vanuit de vrijheid van vereniging geen bezwaar.

Het is wel van belang dat de overheid het handelen van de vrijwillige organisatie ter bescherming van de autonomie van deze organisatie toetst op rechtmatigheid en niet op doelmatigheid.Zie Van der Ploeg, Van Veen & Versteegh, a.w. (noot 6), p. 159. In het laatste geval wordt niet alleen beoordeeld of aan de regels van de wet is voldaan, maar wordt ook getoetst of het handelen van de organisatie vanuit het perspectief van de overheid doelmatig is. In dat laatste geval zou het overheidsbeleid ten onrechte bepalend zijn.

Op grond van de vrijheid van vereniging zou de overheid op zich niet voldoende de eigenheid van religieuze organisaties hoeven te respecteren. Die vrijheid stelt weinig beperkingen aan regulering van de interne structuur van rechtspersoonsvormen. Als de interne structuur van een bijzondere rechtspersoonsvorm voor religieuze organisaties alleen zou worden beschermd door de vrijheid van vereniging, dan zou deze geheel naar de ideeën van de wetgever gemodelleerd kunnen worden. Daarmee zouden deze regels echter wel in strijd komen met de collectieve vrijheid van godsdienst. De collectieve vrijheid van godsdienst impliceert dat er voor de interne vormgeving van de geloofsgemeenschap voluit ruimte is. Het is niet toevallig dat – op het Europese continent –In het Engelse en Amerikaanse ‘common law’-systeem speelt deze problematiek niet. De rechtsvormen corporation en trust, die daar door religieuze organisaties gebruikt worden, hebben geen voorgeschreven inrichting. Lehnhof, a.w. (noot 16), bespreekt, naar ik aanneem om die reden, dit punt m.i. ten onrechte niet. voor geloofsgemeenschappen bijzondere rechtspersoonsvormen bestaan. Deze organisaties passen niet goed in de gebruikelijke private rechtsvormen vereniging en stichting. Godsdiensten hebben immers meestal niet alleen een eigen visie op het hogere (en op de samenleving), zij hebben ook een eigen organisatie voor het bewaren en onderhouden van de godsdienst. Binnen de christelijke godsdienst zijn er in grote lijnen minstens drie typen kerkelijke structuur.Zie L.C. van Drimmelen, R. Vis & N. Landman, ‘Grondgedachten en organisatorische hoofdlijnen van het christendom. Het jodendom en de islam’, in: Van Drimmelen & Van der Ploeg, a.w. (noot 3), p. 65, m.n. p. 66 e.v. De organisatorische opbouw is onlosmakelijk verbonden met de theologie van de desbetreffende religieuze organisatie. De specifieke interne structuur is inherent aan de desbetreffende religieuze organisatie.Ik laat hier de juridische kwalificatie van de functionarissen bij religieuze organisaties buiten beschouwing; dit raakt niet rechtstreeks de vrijheid van godsdienst of van vereniging. Op de gelding van medezeggenschapsregels binnen religieuze organisaties ga ik hier evenmin in. Zonder deze eigen structuur kan de godsdienstige organisatie niet overeenkomstig haar godsdienst functioneren.Zie in deze zin EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, (2002) 34 EHRR 1339 (Hasan & Chaush vs. Bulgarije), aangehaald in Jacobs & White, a.w. (noot 19), p. 301. In art. 9 EVRM wordt het recht om samen met anderen een godsdienstige organisatie vorm te geven niet expliciet genoemd. Toch is het duidelijk hoe wezenlijk de organisatie volgens de eigen godsdienstige opvattingen voor de leden van de desbetreffende religieuze organisatie is. Gezien het feit dat ook de ‘religieuze’ rechtspersoon/organisatie zelf vrijheid van godsdienst geniet, zou ik wellicht wat boud willen stellen dat de eigen visie op de interne structuur van de geloofsgemeenschap behoort tot het onaantastbare ‘forum internum’ van de gemeenschap.In de geest van art. 9 lid 2 EVRM kan de overheid wel beperkingen stellen wanneer het functioneren van de organisatie strijd met de openbare orde oplevert. Dat de openbare orde in gevaar is, mag m.i. echter niet snel worden aangenomen. De margin of appreciation dient hier – ter wille van de bescherming van geloofsgemeenschappen – zeer beperkt te zijn. De overheid kan daar geen beperkingen aan stellen.

Om verschillende redenen zijn er tamelijk wat geloofsgemeenschappen die van een seculiere rechtsvorm gebruikmaken (vereniging of stichting). Sommige geloofsgemeenschappen wensen geen band met de overheid. In diverse landen is het voor religieuze organisaties van minderheden niet goed mogelijk om de bijzondere rechtspersoonsvorm te verwerven en zijn zij genoodzaakt gebruik te maken van seculiere rechtspersoonsvormen.Men denke in dit verband met name aan Griekenland en Turkije, maar ook in Duitsland, Oostenrijk en Italië zijn de criteria zo dat kleinere, nieuwe religieuze organisaties er niet aan kunnen voldoen. Op zich is voor de vrijheid van godsdienst – vanuit juridisch oogpunt – de vorm niet van belang. Betekent dit dat religieuze organisaties die – om een of andere reden – een seculiere rechtsvorm voeren ook een beroep kunnen doen op de interne organisatievrijheid vanuit de vrijheid van godsdienst?Zie hierover M.J.G. Raaijmakers, ‘Kerkgenootschap en stichting’, in: A-T-D (Opstellen aan Van Schilfgaarde), Deventer: Kluwer 2000, p. 351 e.v., waartegen T.J. van der Ploeg, ‘Past een heilig lichaam wel in een gewoon bed?’, NTKR 2010, p. 116-117. Het zou niet passen dat organisaties die de verenigings- of stichtingsvorm gebruiken soms wel en soms niet onder de wettelijke bepalingen vallen. Dat maakt het gebruik van die vormen te onvoorspelbaar. Religieuze organisaties kunnen bij het gebruik van seculiere vormen niet meer ruimte voor interne vrijheid claimen dan seculiere organisaties. Dat is althans de Nederlandse lijn.Zie Rb. Almelo 10 maart 2000, ECLI:NL:RBALM:2000:AA5207, in verband met het recht van leden om een algemene vergadering bijeen te roepen. In Duitsland lijkt de rechter soepeler; zo hoefde niet iedere afdeling van de Bahá’I-vereniging een bestuur te hebben. Zie G. Robbers, ‘Religious freedom in Germany’, Brigham Young University Law Review 2001, p. 647. Overigens zouden religieuze organisaties bij het gebruiken van seculiere vormen wel uit de voeten kunnen wanneer de wettelijke regels betreffende de interne organisatie de ruimte laten om de interne organisatie op te zetten naar eigen intern-religieuze regels. In dat geval kan de religieuze organisatie haar hele organisatie in de seculiere rechtsvorm onderbrengen. Anders blijft het wringen.Zie Van der Ploeg, a.w. (noot 61) en idem, ‘Het gebruik van vereniging en stichting door geloofsgemeenschappen’, in: Van Drimmelen & Van der Ploeg, a.w. (noot 3), p. 383 e.v.

Het EHRM heeft overigens in 2000 uitgesproken dat het autonome bestaan van geloofsgemeenschappen als zodanig onmisbaar is voor pluralisme in een democratische samenleving en dat de beschikbaarheid van hulp-rechtspersonen niet voldoende is.EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, (2002) 34 EHRR 1339 (Hasan & Chaush vs. Bulgarije). Zie ook EHRM 31 juli 2008, nr. 40825/98 (Jehova getuigen vs. Oostenrijk), par. 65-68 en 79-80. Zie ook T. van Kooten, a.w. (noot 21), p. 264. Een religieuze organisatie moet in redelijkheid als zodanig rechtspersoon kunnen worden. De eisen voor het verkrijgen van de bijzondere rechtspersoon voor religieuze organisaties dienen beperkt te zijn. Vertaald naar de Nederlandse situatie: de rechtsvorm kerkgenootschap moet beschikbaar zijn voor andere dan joodse en christelijke geloofsgemeenschappen, bijvoorbeeld ook voor islamitische geloofsgemeenschappen. Formeel is deze beschikbaar, in feite zijn er beletselen.Om als geloofsgemeenschap de rechtspersoon kerkgenootschap te worden zijn de materiële criteria niet duidelijk. Is het kerkgenootschap beschikbaar voor een islamitische geloofsgemeenschap? Ook zijn er geen formele eisen die zekerheid bieden over het bestaan van de rechtspersoon, zoals de notariële akte bij verenigingen en stichtingen. Daardoor is niet zeker dat het beweerde kerkgenootschap maatschappelijk wordt aanvaard. Het zou passend zijn wanneer de Nederlandse staat met geloofsgemeenschappen van verschillende aard om de tafel zou gaan zitten om tot een bijzondere rechtsvorm voor religieuze organisaties te komen die voor eenieder bruikbaar is.

5.3.Mag de overheid inbreuk maken op het autonoom functioneren van de (religieuze) organisatie?

Een andere vraag is of de overheid door in te grijpen in een (religieuze) organisatie inbreuk mag maken op haar autonomie. In verscheidene landen worden aan maatschappelijke organisaties restricties opgelegd ten aanzien van hun functioneren. Zij dienen bijvoorbeeld goedkeuring van de overheid te ontvangen voor bepaalde rechtshandelingen. Zolang dit in de wet is vastgelegd en dienstig is voor de bescherming van de openbare orde of van derden (inclusief de bij de organisatie betrokkenen) en in proportie is met het daarmee beoogde doel is daartegen geen bezwaar. Wel moet dit overheidshandelen vooraf dan wel achteraf getoetst kunnen worden door een onafhankelijke rechter – overeenkomstig art. 6 EVRM.Zie ‘Minimum norms 39-41’, in: Van der Ploeg, Van Veen & Versteegh, a.w. (noot 6), p. 284.

De vrijheid van vereniging houdt in dat de overheid zich niet ongerechtvaardigd met de organisatie bemoeit, ofwel inbreuk maakt op haar autonomie, omdat autonome maatschappelijke organisaties noodzakelijk zijn in een pluralistische samenleving. Ditzelfde geldt voor de vrijheid van een geloofsgemeenschap op grond van de vrijheid van godsdienst in samenhang met de vrijheid van vereniging.Zie EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, (2002) 34 EHRR 1339 (Hasan & Chaush vs. Bulgarije), par. 62 en 92. Zie voor recentere EHRM-uitspraken in deze geest A. Overbeeke, in: Van Drimmelen & Van der Ploeg, a.w. (noot 3), p. 255, noot 90. Op dit punt biedt m.i. de vrijheid van godsdienst niet minder maar ook niet meer bescherming dan de vrijheid van vereniging.Idem P.T. Pel, Geestelijken in het recht (diss. Groningen), ’s-Gravenhage: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 76-78. Naar aanleiding van het arrest inzake Hasan & Chaush menen M.J. Kanne in haar noot onder dit arrest in AB 20001/183, H.A. Post, Vrijheid van godsdienst in een democratische samenleving (diss. Tilburg), ’s-Gravenhage: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 161 en B.P. Vermeulen, ‘The freedom of religion in art. 9 of the European Convention on Human rights: historical roots and today’s dilemmas’, in: A. van de Beek, E.A.J.G. van der Borght & B.P. Vermeulen (eds.), Freedom of religion, Leiden: Brill 2010, p. 9 e.v., m.n. p. 27 (hij spreekt van waarschijnlijk) dat de vrijheid van godsdienst de religieuze organisaties hier meer bescherming biedt. De overheid is dus niet gerechtigd om – zonder wettelijke of statutaire grondslagDat een religieuze organisatie in haar statuten een bevoegdheid zou geven aan een overheidsorgaan is overigens in de Nederlandse situatie zeer onwaarschijnlijk. Dit zal zich eerder voordoen in religieuze organisaties met een publiekrechtelijk karakter. – zich met het functioneren van de organisatie te bemoeien.Zie EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (Hasan and Chaush vs. Bulgaria), par. 62. Het aanstellen of ontslaan van functionarissen door de overheid (de administratie) is zowel bij seculiere als religieuze organisaties in principe uit den boze; anders gezegd: dit is in strijd met zowel de vrijheid van vereniging als met de vrijheid van godsdienst. Wel kan de strafrechter wettelijke bevoegdheden hebben ten aanzien van functionarissen, maar dan gaat het om handelen in strijd met de openbare orde en niet om handelen in strijd met het overheidsbeleid.

 

Ook vormt de van bovenaf opgelegde regeling dat de overheid een of meer ambtenaren kan benoemen in het bestuur of de raad van toezicht van bepaalde maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld omdat zij subsidie hebben verkregen, een inbreuk op de vrijheid van vereniging.Aldus W.J.M. van Veen, ‘Civil society in Europe and the European convention on Human Rights’, in: Van der Ploeg, Van Veen & Versteegh, a.w. (noot 6), p. 8 e.v., m.n. p. 34.

Op zich maakt een regeling betreffende toezicht op organisaties geen inbreuk op de vrijheid van vereniging of van godsdienst, tenminste zolang dit gericht is op de handhaving van de wettelijke regeling van de (religieuze) organisatie en de statutaire regeling, bescherming van de openbare orde (en van de rechten van derden). De toezichtmiddelen en de sancties dienen proportioneel te zijn. Bij willekeur of disproportionele sancties zal er een ongeoorloofde inbreuk op de vrijheid van vereniging, dan wel van de vrijheid van godsdienst sprake zijn.

6.Consequenties van de vrijheid van vereniging en vrijheid van godsdienst met betrekking tot het lidmaatschap van (religieuze) organisaties

De vrijheid van vereniging en de collectieve vrijheid van godsdienst betreffen niet alleen de organisatorische inrichting van de organisatie maar ook de relatie van de organisatie met haar ‘leden’.Met ‘leden’ bedoel ik degenen die deel uitmaken van de gemeenschap. Juridisch kunnen zij lid zijn van een vereniging of kerkgenootschap of aangesloten zijn bij een stichting.

6.1.Aard en inhoud van het lidmaatschap

Er moet duidelijk verschil worden gemaakt op dit punt tussen het lidmaatschap van een vereniging en het lidmaatschap van een religieuze organisatie. In beide gevallen is er sprake van vrijwilligheid.

De vrijheid van vereniging stelt geen eisen aan de specifieke kenmerken van het lidmaatschap van een vereniging. Wat het lidmaatschap van een vereniging in een bepaald land inhoudt, hangt af van de wet en de statuten. In ons recht wordt het lidmaatschap gezien als een niet-contractuele rechtsverhouding waarvoor geldt dat deze gezien art. 2:8 BW mede wordt bepaald door de redelijkheid en billijkheid.Zie in dit verband ook art. 3:12 BW. Die redelijkheid en billijkheid worden gekleurd door de aard van de verhoudingen in de betrokken vereniging. Leden van verenigingen hebben – gewoonlijk – stemrecht in de algemene vergadering. Welke bevoegdheden de algemene vergadering heeft hangt af van wet en statuten. Deelname als lid aan een vereniging impliceert dat de betrokkene gebonden is aan de wet, de statuten (en reglementen) en de besluiten van bevoegde organen van de organisatie. In het kader van het gezamenlijke streven naar het statutaire doel kunnen aan de leden verplichtingen worden opgelegd.Dit past bij de vereniging als rechtspersoonstype. Hoe dat precies geregeld wordt hangt van wet en statuten af. Zie voor Nederland art. 2:27 lid 4c en art. 2:34a BW en voor België art. 2 8o Wet van 2 mei 2002, BS 11 december 2002.

Bij de stichting betrokkenen (aangeslotenen) – ook hier geldt de vrijheid van vereniging – hebben een contractuele verhouding met de stichting. Daarbij kan horen dat de aangeslotenen bepaalde organisatorische rechten in de stichting hebben. Wijziging in de rechten en verplichtingen van de aangeslotenen kan door de stichting slechts met hun instemming geschieden.

Ook de collectieve vrijheid van godsdienst stelt geen specifieke eisen aan de verhouding tussen de religieuze organisatie en haar leden. Ook hier is sprake van vrijwilligheid, waarbij art. 9 EVRM benadrukt dat de vrijheid van godsdienst mede inhoudt dat ieder de vrijheid heeft van godsdienst te veranderen. In wetgeving ten aanzien van de specifieke rechtspersoonsvorm voor religieuze organisaties zal weinig over de verhouding van de leden tot de religieuze organisatie zijn te vinden. Wellicht is dit anders bij zogenaamde staatskerken. De positie van de leden van geloofsgemeenschappen is dus normaal gesproken te vinden in het kerkelijk statuut (de statuten), lagere kerkelijke regels en besluiten van bevoegde organen.

Volgens art. 2:2 BW is in de onderlinge verhoudingen in kerkgenootschappen overeenkomstige toepassing van de redelijkheid en billijkheid geoorloofd, althans voor zover dit is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.De in art. 3:12 BW genoemde aspecten voor de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen, spelen in deze onderlinge verhoudingen dus – afhankelijk van de al dan niet ‘wereldgelijkvormigheid’ van die verhoudingen – mogelijk slechts een ondergeschikte rol. Het is m.i. denkbaar dat in een geloofsgemeenschap de verhoudingen niet mede door de redelijkheid en billijkheid worden beheerst maar alleen door strakke regels, waarvan de handhaving in handen is van hiërarchisch aangestuurde functionarissen. De vrijheid van godsdienst omvat ook deze vrijheid.Dit raakt de vraag of de overheid maatregelen kan en moet nemen tegen ‘sekten’ die individuen of groepen trachten in te lijven in een ‘geloofsgemeenschap’ waarbij het de vraag is of er sprake is van vrijwilligheid. In België en Frankrijk is er sprake van antisektewetgeving. Zie over de discussies daaromtrent G. Robbers, BYULR 2001, p. 659-663 en speciaal voetnoot 59 met literatuur betreffende Europese landen. Zie ook noot 32. Dat sluit niet uit dat in de externe verhouding van het lid tot de geloofsgemeenschap – waarbij hij als privépersoon/burger tegenover de geloofsgemeenschap staat – er schadevergoeding verschuldigd kan zijn op grond van onrechtmatige daad.Zie over onrechtmatigheid van de rechtspersoon t.o.v. de bij haar betrokkenen T.J. van der Ploeg, ‘De verhouding tussen het interne recht van geloofsgemeenschappen en het burgerlijk recht’, in: Van Drimmelen & Van der Ploeg, a.w. (noot 3), p. 335, m.n. p. 345 e.v. Anders F.T. Oldenhuis, ‘Exclusiviteit en (in)tolerantie’, oratie Groningen 2006, en in: Geloofsgemeenschappen en recht, par. 21.3. Zie mijn bespreking in NTKR 2010, p. 19.

De interne structuur van kerkgenootschappen en daarmee de invulling van het lidmaatschap kan heel verschillend zijn. Dit geldt zowel voor wat betreft de rechten als wat betreft de verplichtingen van de leden. Verplichtingen van de leden van het kerkgenootschap kunnen volgens het kerkelijk statuut al dan niet vermogensrechtelijke verbintenissen vormen.Vgl. J. Blanco Fernández, no. 388 in Asser-Rensen 2 III* 2012. Of besluiten ten aanzien van verplichtingen kunnen worden getoetst aan de redelijkheid en billijkheid hangt af van de vraag of en zo ja, hoe de redelijkheid en billijkheid in dat kerkgenootschap heerst. Leden kunnen niet tegenover hun eigen religieuze organisatie op grond van de vrijheid van godsdienst stellen dat zij niet aan de regels van de religieuze organisatie gehouden kunnen worden.Van Bijsterveld, Godsdienstvrijheid in Europees perspectief, Deventer: Tjeenk Willink 1998, p. 158 met verwijzing naar EHRM-uitspraken. Vgl. ook de bijdrage van L.J. Koffeman, ‘Vrijheid van godsdienst binnen de kerk?’, NTKR 2017, afl. 1, p. 1 e.v., T.J. van der Ploeg, ‘Freedom of religion and civil law’, in: Van de Beek c.s. (noot 69), p. 121 e.v., m.n. p. 135-136. Wanneer leden van een geloofsgemeenschap zich niet meer kunnen verenigen met de leer of met andere zaken, moeten zij zich aan de geloofsgemeenschap kunnen onttrekken (zie par. 6.3).

6.2.Het aangaan van het lidmaatschap

Uit de vrijheid van vereniging vloeit voort dat het lidmaatschap van de vrijwillige organisatie vrijwillig wordt aangegaan.

Niemand is gedwongen om lid van een organisatie (kerkgenootschap, vereniging of stichting) te worden.In de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (art. 20.2) was dit recht van den beginne inbegrepen, in het EVRM aanvankelijk niet (de Engelse closed shop werd beschermd), maar later wel. Vgl. ECRM 13 augustus 1981, Serie A, no. 44, (1982) 4 EHHR 38 (Young, James en Webster vs. Verenigd Koninkrijk) met ECRM 20 juni 1993, Serie A, no. 264-A, (1993) 16 EHHR 462 (Sigurdur A. Sigurjonsson vs. IJsland). In Jacobs & White, a.w. (noot 19), p. 341-342 wordt overigens aangenomen dat het closed shop-systeem nog geldig is onder art. 11 EVRM. De collectieve vrijheid van godsdienst geeft hier geen afwijking van de vrijheid van vereniging.

Volgens bepaalde religieuze tradities kan men ook door geboorte, kinderdoop of huwelijk lid worden zonder dat betrokkene daar een wilsverklaring over heeft afgelegd (of heeft kunnen afleggen). Dit moge naar theologische maatstaven zijn gerechtvaardigd, een lidmaatschap dat op deze wijze is verkregen en dat niet door betrokkene is bevestigd (impliciet of expliciet), heeft privaatrechtelijk geen status.Vgl. HR 29 december 1911, W. 9272, waarover T.J. van der Ploeg in: Van Drimmelen, Van der Ploeg, a.w. (noot 3), p. 340-341. Anders P.T. Pel, a.w. (noot 69), p. 191 e.v. die benadrukt dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut en niet door het statelijk recht. Dat is m.i. echter slechts het halve verhaal.

Een organisatie is ook niet verplicht om iemand als lid toe te laten.T. van Kooten, ‘Religieuze gemeenschappen in het licht van art. 9 EVRM: vrijheid en gebondenheid’, in: Post & Van der Schyff, a.w. (noot 21), p. 157 e.v. Dit geldt zowel naar Nederlands recht als volgens het EVRM. Dit recht is echter ten aanzien van niet-levensbeschouwelijke organisaties gemitigeerd door de horizontale werking van het recht op non-discriminatie. In geval er sprake is van een open maatschappelijke actieve organisatie die diensten verleent, is de organisatie onderworpen aan de bepalingen van de algemene wet gelijke behandeling.Zie Dijk-Van der Ploeg, a.w. (noot 36), p. 13-14. Kerkgenootschappen – dit zou redelijkerwijs ook dienen te gelden voor geloofsgemeenschappen in andere rechtsvormen – en het geestelijk ambt vallen wat betreft de interne verhoudingen niet onder deze wet.Art. 3 Algemene wet gelijke behandeling. Op zich kan een religieuze organisatie dus iemand weigeren als lid toe te laten ook al deelt hij de belijdenis van de kerk.Wanneer de religieuze organisatie externe relaties aangaat, kan er wel reden zijn voor toepassing van de algemene wet gelijke behandeling.

6.3.Opzegging van het lidmaatschap door het lidZie nader de bijdrage van C. van den Broeke, ‘Waar is de uitgang? Vrijheid van godsdienst, het recht op uittreding, geloofsafval en het apostasieverbod in joodse, christelijke en islamitische geloofsgemeenschappen’, NTKR 2017, deze aflevering.

Zoals de vrijheid van vereniging en van godsdienst ervan uitgaan dat het lidmaatschap van de organisatie vrijwillig wordt aangegaan, geldt ook het principe dat het lidmaatschap van de (religieuze) organisatie altijd mag en kan worden opgezegd, eventueel met een opzegtermijn. Dit geldt ook voor het lidmaatschap van religieuze organisaties wier theologie het lidmaatschap onopzegbaar acht. Of iemand die zijn lidmaatschap van een religieuze organisatie heeft opgezegd op grond van zijn recht op privacy de organisatie kan dwingen dat zijn gegevens uit de registratie worden verwijderd, terwijl de religieuze organisatie op grond van theologische opvattingen betrokkene wel wil doorhalen maar niet verwijderen, is de vraag. De Europese Unie lijkt ter zake van gegevensverwerking vooral rechten voor geregistreerden vast te leggen.Zie Verordening (EU) 2016/679. Voor de Nederlandse Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, in Overheid.nl.

 

6.4.Opzegging en ontzetting van het lidmaatschap door de (religieuze) organisatie

Houdt de vrijheid van vereniging ook in dat de vereniging het lidmaatschap van een lid kan beëindigen wanneer zij dat wil? Vanwege de ongelijke positie van het lid tegenover de vereniging mag worden aangenomen dat dit niet zomaar kan. Er moet een duidelijke grond zijn voor de beëindiging van het lidmaatschap door de organisatie. In het Nederlandse recht is bepaald dat a) de vereniging iemands lidmaatschap kan opzeggen of b) het lid kan ontzetten (zie art. 2:35 BW). Het laatste geschiedt ingeval van wangedrag. De wet geeft voor beide gevallen duidelijke dwingende criteria. In de literatuur wordt geen verband gelegd tussen deze regelingen en de vrijheid van vereniging. Veeleer mag worden aangenomen dat deze regelingen samenhangen met het feit dat de verhouding tussen lid en vereniging door de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW wordt beheerst.

 

De bepalingen over opzegging en ontzetting gelden niet voor kerkgenootschappen, ook niet analoog omdat zij niet in titel 1 maar in titel 2 van Boek 2 BW betreffende de vereniging staan. Wel zijn de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW van overeenkomstige toepassing op de verhoudingen in kerkgenootschappen, althans indien deze in het desbetreffende kerkgenootschap een rol spelen. Op zich is het redelijk dat een religieuze organisatie een lid dat in denken en doen zich strijdig opstelt ten opzichte van het kerkgenootschap uit de kerk kan (niet: moet) zetten. Anders zou door het toetreden het lid een onaantastbare positie krijgen. Dan zou het evenwicht tussen de posities van het kerkgenootschap en haar leden zoek zijn.

Een uitsluiting op grond van het feit dat opvattingen van betrokkene in strijd zijn met de belijdenisgeschriften, dan wel dat betrokkene in strijd handelt met die geschriften is in overeenstemming met de vrijheid van godsdienst, die immers ook betekent dat een geloofsgemeenschap bepaalde geloofsopvattingen gezamenlijk mag belijden en andere mag afwijzen.Zie bijv. EHRM 12 juni 2014, nr. 56030/07 (Fernández Martinez vs. Spanje), par. 128. De religieuze organisatie kan ook minder vergaande maatregelen nemen. Het besluit van het bevoegde orgaan hierover volgens het interne recht van de religieuze organisatie kan m.i. niet door een burgerlijke rechter (op grond van de redelijkheid en billijkheid) worden vernietigd. Het gaat hier immers om een oordeel over theologische opvattingen, waarin de rechter zich niet mengt (mag mengen). Wel kan de rechter het besluit vernietigen op gebreken in de procedure.

Wanneer het kerkgenootschap het lid niet uitzet wegens theologische opvattingen maar vanwege zijn gedrag, zal de rechter het desbetreffende besluit kunnen toetsen aan de interne regels en aan de redelijkheid en billijkheid voor zover die van toepassing zijn.Overigens zijn er in veel kerkgenootschappen interne beroepsgangen. Zie A.H. Santing-Wubs, ‘Geschilbeslechting binnen geloofsgemeenschappen’, in: Van Drimmelen & Van der Ploeg, a.w. (noot 3), p. 167 e.v.

7.Conclusie

Hebben religieuze organisaties de vrijheid van godsdienst naast die van vereniging nodig voor hun autonome interne functioneren? Aan de ene kant kan worden geconcludeerd dat ze de vrijheid van godsdienst nodig hebben om zeker te stellen dat zij hun organisatie kunnen inrichten naar hun eigen intern-religieuze (ecclesiastische) opvattingen. In de Europese continentale rechtstelsels betekent dit dat er voor religieuze organisaties ten minste een bijzondere rechtsvorm moet zijn (en is).In Anglo-Amerikaanse rechtstelsels laten de rechtsvormen trust en corporation ruimte voor een eigen interne structuur voor religieuze organisaties. Voor religieuze organisaties moet zo’n bijzondere rechtsvorm op eenvoudige wijze beschikbaar zijn. Het feit dat voor geloofsgemeenschappen ook seculiere vormen (vereniging en stichting) beschikbaar zijn, geeft volgens het EHRM niet voldoende garantie voor de pluriformiteit van de samenleving.

Een wetgever kan omtrent de inrichting geen bepalingen geven. We spreken hier dan wel over private religieuze organisaties, zoals in Nederland. In landen met religieuze organisaties met een publiekrechtelijke status kan dat op grond van de traditie anders liggen. Dat laat onverlet dat de staat voor andere religieuze organisaties de vrijheid van godsdienst ten volle dient te garanderen.

Er is geen reden aan te nemen dat de vrijheid van vereniging minder bescherming biedt tegen ingrijpen door de overheid waardoor inbreuk op de autonomie wordt gemaakt dan de vrijheid van godsdienst.

Bij seculiere rechtspersonen zal de rechter besluiten of gedragingen van de rechtspersoon tegenover bij de rechtspersoon betrokkenen (marginaal) toetsen aan de redelijkheid en billijkheid. Bij religieuze organisaties (althans in de vorm van kerkgenootschappen) kunnen de godsdienstige opvattingen en de houding van de religieuze autoriteiten zodanig zijn dat tussen betrokkenen in die organisatie niet per se sprake hoeft te zijn van redelijkheid en billijkheid. De rechter zal daaraan dan in beginsel niet toetsen. Op dit punt lijkt de vrijheid van godsdienst aan religieuze organisaties dus meer ruimte te bieden. De vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat brengen overigens met zich mee dat een rechter bij interne conflicten binnen een religieuze organisatie geen keuze zal maken tussen theologische opvattingen.

Wat betreft de positie van leden is het wel noodzakelijk dat ook in religieuze organisaties de rechten van leden die voortvloeien uit de vrijheid van vereniging worden gerespecteerd. Op dit punt biedt de vrijheid van godsdienst in grote trekken niet meer dan de vrijheid van vereniging, maar ook niet minder. Religieuze organisaties hebben iets meer vrijheid in de relatie tot hun leden 1) op het punt dat de redelijkheid en billijkheid hierbij kunnen zijn uitgesloten en 2) in verband met ontzetting van leden op strikt religieuze gronden, waarbij de rechter deze religieuze gronden niet afweegt.