Sluiten

NTKR, Tijdschrift voor Recht en Religie

2017 / 2 (December)

‘Er is geen dwang in de godsdienst.’ (9:129)

Het recht op godsdienstvrijheid en burgerlijke vrijheden in de islam

Inleiding

Een van de belangrijkste vragen die moslims die in het Westen leven stellen is hoe de islam met de vrijheid van personen en in het bijzonder de vrijheid van godsdienst omgaat. Vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing is in zekere zin de moeder van alle vrijheden. Hoe we het leven beschouwen leidt immers tot een manier van leven, waarvoor we principieel gesproken de vrijheid moeten hebben. Ook niet-moslims stellen de vraag of de islam mensen vrijlaat in hun gedachten en religie en of mensen de vrijheid hebben te leven zoals zij denken dat goed is.

Moslims in ons land die actief zijn in het openbaar bestuur of in politieke partijen zijn voor zover bekend allemaal voorstanders van godsdienstvrijheid. Zij worden er vaak op aangesproken dat islamitische landen geen godsdienstvrijheid kennen of, als die wel in de wetgeving is opgenomen, toch aanhangers van een andere religie of levensovertuiging in de praktijk onvoldoende beschermen of zelfs discrimineren. Inderdaad kennen sommige islamitische landen officieel godsdienstvrijheid, maar kan die niet voluit worden gerealiseerd en is de wetgeving in andere landen twijfelachtig.Zie J.M. Otto, Sharia en nationaal recht. Rechtssystemen in islamitische landen tussen traditie, politiek en rechtsstaat, Amsterdam: Amsterdam University Press 2006, p. 168-169. In Turkije en Indonesië verschaft de wet vrijheid van godsdienst, maar is de praktijk soms moeizaam. Er lijkt voorzichtig meer ruimte te komen voor christelijke minderheden in Turkije. Maar de signalen van de overheid zijn dubbelzinnig. Christenen in Indonesië lijden vooral in gebieden waar radicale moslimgroeperingen overheersen. Het blijft daarnaast een feit dat er op allerlei plaatsen in de wereld kerken in brand worden gestoken en soms ook boeddhistische of hindoetempels. In deze discussies wijzen mensen vaak op de goede relaties tussen joden, christenen en moslims in Spanje in de middeleeuwen. Ook in het Midden-Oosten kregen joden en christenen in de eerste eeuwen van de islam de vrijheid om hun eigen geloof te belijden. Ondanks het islamitische verbod op alcoholhoudende dranken mochten zij bijvoorbeeld wijn maken en gebruiken – mits niet in het openbaar.

In het Westen vormt vrijheid van godsdienst en geweten een van de meest basale mensenrechten. Toch zijn er ook hier extremistische groeperingen actief, bijvoorbeeld op het internet, die tegen godsdienstvrijheid pleiten en moslims die hun geloof verliezen zwaar willen straffen. Daarom is de vraag wat de islam hier echt over zegt. Leert de Koran werkelijk dat men andere mensen moet dwingen om moslim te worden of hen anders als tweederangsburgers dient te behandelen?

In dit artikel zal blijken dat dat niet het geval is. Vrijheid van godsdienst en geweten is essentieel. In het eerste deel van dit artikel zal dit onderwerp worden behandeld aan de hand van de volgende drie principes:

  • Godsdienstvrijheid: er is geen dwang in religie;
  • Vrijheid van dialoog tussen verschillende religies;
  • Idjtihad is toegestaan aan eenieder die over de benodigde kennis beschikt.

In het tweede deel komt de islamitische visie op burgerrechten aan de orde, die eveneens wordt gekenmerkt door een grote nadruk op het principe van de menselijke vrijheid.

1.Vrijheid van godsdienst en geweten

Godsdienstvrijheid: er is geen dwang in religie

Vrijheid van godsdienst is de moeder van alle rechten. De islamitische geloofsbelijdenis – er is geen God dan God en Mohammed is zijn Profeet – maakt de mens een dienaar van God en dus niemands slaaf. Geen overheid mag een mens een overtuiging opleggen; juist dat is de verantwoordelijkheid van de mens zelf. Allah geeft ons de vrijheid van keuze en dwingt ons niet om zijn wil te volgen. God geeft ons het recht om te kiezen of wij zijn godsdienst en zijn geboden opvolgen, negeren of ertegenin gaan. De islam gelooft dat ieder mens zich na de dood voor zijn of haar leven moet verantwoorden op de Dag van de opstanding en dat de mens dan wordt beoordeeld. Het oordeel over iemands geloof en leefwijze ligt uiteindelijk niet bij de mens maar bij God.

In de westerse samenleving overheerst een ander, veel minder vrij beeld van de islam. In de media trekken fanatieke moslims die de macht hebben in bepaalde gebieden of gruwelijke ‘rechtspraak’ door eenvoudige mensen in afgelegen streken, nu eenmaal veel aandacht. Maar de Koran is er volstrekt helder over dat het de verantwoordelijkheid van een mens zelf is wat hij of zij gelooft:

 

‘Er is geen dwang in de godsdienst. Waarlijk, de rechte leiding is duidelijk onderscheiden van de dwaling, en hij die (...) in Allah gelooft: hij heeft zeker het stevigste houvast gegrepen, dat niet breken kan.’ (2:256)Vertalingen van Koranverzen zijn weergegeven volgens De Edele Koran, vert. Sofjan S. Siregar, Den Haag: ICCN 2011.

 

‘En zeg: “De waarheid is van Jullie Heer: dus wie wil, laat hem geloven, en wie dat wil, laat hem ongelovig zijn.”’ (18:29)

 

‘Zeg (O Moehammad): “Gelooft er in of gelooft niet.” Voorwaar, degenen aan wie ervóór de kennis gegeven was, vallen op hun gezichten neer, zich neerknielend, wanneer hij hun voorgedragen wordt.’ (17:109)

 

‘En als jouw Heer het had gewild, dan zouden degenen die op aarde zijn, zeker allen tezamen hebben geloofd. Wil  jij (O Moehammad), dan de mensen dwingen opdat zij gelovigen worden?’ (10:99)

 

Het standpunt van de Koran en de klassieke islam inzake vrijheid van geloof is dat het een mens verboden is om iemand – wie dan ook – blindelings te volgen of te imiteren. Een Hadith vermeldt dat de Profeet zei: ‘Als je een antwoord krijgt van iemand, moet je dat antwoord niet klakkeloos overnemen, maar bij jezelf nagaan [letterlijk: “aan je hart vragen”] of het klopt of niet.’Aboe Abdellah Ahmed Ibn Ahmed Ibn Mojamed Ibn Hanbel Ibn Hilal Ibn Asadal-Shaybani, Mosand Al-Imam Ahmed Ibn Hanbel, Volume 29, Damascus 2001, p. 278-279.

Men mag een ander niet dwingen zich tot een religie te bekeren; men mag iemand geen geloof opleggen of onder druk zetten om zijn eigen geloof af te leggen. Dwang in geloof is onmogelijk en onaanvaardbaar.

 

Zoals bekend wordt soms in moslimkringen verkondigd dat afval van de islam met de dood zou moeten worden bestraft. Maar in de Koran is hier niets over te vinden. Het volgende vers maakt duidelijk dat de Koran vindt dat een oordeel hierover aan Allah moet worden overgelaten:

 

‘O Jullie die geloven! Wie van jullie zijn godsdienst afvallig is: Allah zal een volk nemen waar Hij van houdt en dat van Hem houdt (...)’ (5:54)

 

Ook verbiedt de islam het om een religie belachelijk te maken of de aanhangers ervan te beledigen. De Koran erkent het bestaan van andere religies en de islam zorgt er als het goed is voor dat eenieder die behoort tot een andere religie, zijn geloof kan bewaren. Ook dit staat in de Koran zelf aangegeven:

 

‘Daarom, voor jullie jullie godsdienst en voor mij, mijn godsdienst.’ (109:6)

 

‘Zeg (O Moehammad): “Redetwisten jullie met ons over Allah? Terwijl Hij onze Heer en jullie Heer is? Voor ons onze werken, en voor jullie, jullie werken. En Wij zijn hem zuiver toegewijd.”’ (2:139)

 

‘Als zij zich dan afwenden, zeg dan: “Allah is mij voldoende, geen god is er dan Hij, op Hem vertrouw ik, en Hij is de Heer van de Geweldige Troon.”’ (9:129)

 

Zo stelt de Koran vast dat we anderen niet tot geloof mogen dwingen, maar dat men de keuze van andere mensen moet respecteren en de vrijheid die men zelf vraagt om te leven overeenkomstig zijn geloof, ook aan een ander moet gunnen.Koran 30:6. Mensen mogen hun eigen geloof volgen en leven zoals hun geloof zegt. Daarom moeten moslims in de politiek de vrijheid van godsdienst waarborgen. In de Koran wordt bijvoorbeeld expliciet gezegd over christenen en joden:

 

‘Voorwaar, degenen die geloven, en degenen die het Jodendom belijden en de Christenen en de Sabiërs;De Sabiërs of Maneeërs vormen een religieuze groepering die tot vandaag de dag bestaat in Irak en Iran. Zij beschikken over een heilig boek en erkennen profeten, die ook in de Thora worden genoemd. Hun belangrijkste Profeet is Johannes de Doper, die in de traditie van de islam voorkomt als Yohanna Al-Dimiski. [zij allen] geloven in Allah en in de Laatste Dag en zij verrichten goede werken: voor hen is hun beloning bij hun Heer en geen vrees zal er over hen zijn, noch zullen zij treuren.’ (2:62)

 

Joden en christenen worden ook wel de ‘mensen van het Boek’ genoemd. Zij hebben het recht om hun godsdienst uit te oefenen, hun kerken mogen niet vernietigd worden en hun kruisen mogen niet worden kapotgemaakt. De Profeet zei: ‘Laat ze belijden waar ze in geloven. Laat hen hun geloof belijden.’Al-Imam Alauddin Abi Bakr Bin Mas’ud Al-Kasani Al-Hanafi, Bada’i al-Sana’i fi Tartib al-Shara’I, Volume 1, Cairo 1961, p. 100. 

Ook vrouwen van moslims die behoren tot het jodendom of christendom hebben het recht om naar een synagoge of kerk te gaan. Hun mannen hebben als moslims niet het recht om hen dit te verbieden.

Niet alleen de Koran is duidelijk over godsdienstvrijheid, ook de oudste traditie van de islam is vol van voorbeelden van godsdienstvrijheid voor niet-moslims. De Profeet liet mensen vrij in hun geloof zonder hen te dwingen zich tot de islam te bekeren. De Profeet Mohammed heeft de Joden in Medina en Jemen en ook de christenen op het Arabisch schiereiland niet gedwongen om hun godsdienst op te geven. Zestig christenen van de stam Najran werden bijvoorbeeld door hem uitgenodigd voor een vriendschappelijk bezoek in de moskee.Dr. Ali Hosni Al-Khrbaloti, Al-Islam wa Ahlo Aldhimah Al-Majlis Al-Ala Iishoen Al-Islamiyah, Cairo 1969, p. 65-66.

Kalief Aboe Bakr volgde de Profeet Mohammed in zijn houding tegenover niet-moslims. Hij heeft Osama, net als Aboe Bakr een metgezel van de Profeet, opdracht gegeven om niet-moslims niet te dwingen om hun religie te verlaten; bovendien gaf hij hem de opdracht om de monniken in hun kloosters in rust en vrede te laten leven.Dr. Ali Mansor, Al-Sharia Al-Islamaya wa Al-Qanudu Aldawl Al-Aam, Cairo z.j., p. 98-99. Ter toelichting kan worden opgemerkt dat de Profeet en zijn metgezellen voorbeelden geven van hoe moslims behoren te handelen. De Profeet zelf werd immers door God onderwezen hoe hij rechtvaardig en goed kon leven en hoe de samenleving kon worden opgebouwd. Daarom zijn de overleveringen over hoe de Profeet en zijn metgezellen hebben geleefd, de Hadith, na de Koran voor de islam de belangrijkste bron. En daarom grijpen moderne moslims daarnaar terug. Khalid ibn Walid, een van de bekendste moslimgeneraals en metgezel van de Profeet, heeft niet-moslims beloofd dat hij hun religieuze ontmoetingsplaatsen en symbolen met rust zou laten, in navolging van een gebod van de Profeet. Onder de eerste vier kaliefen werd dit beleid voortgezet.

Niet-moslims wordt het eten van varkensvlees of het drinken van alcohol niet verboden als hun religie dat toestaat. Zij hebben alle vrijheid op het gebied van huwelijk en echtscheiding om hun eigen religieuze of levensbeschouwelijke regels te volgen. De islam beschermt hun waardigheid en waarborgt hun rechten. De islam staat moslims toe om niet-moslims te bezoeken en met hen te eten – uiteraard geen varkensvlees of alcohol – en geschenken aan niet-moslims te geven en van hen te ontvangen.Dr. Ali Al-Khamlischi, Hukuk Al-Insan Al-siasiyah wa Al-idjtimaiyah fi al-islam, Cairo z.j., p. 11-12. Orthodoxe joden mogen volgens hun eigen voorschriften alleen vlees eten dat door een rabbijn goedgekeurd is, maar dat is hun eigen keuze en de islam laat hen daar vrij in.

Met betrekking tot religie wordt in de islam een onderscheid gemaakt tussen de drie openbaringsreligies jodendom, christendom en islam en andere levensovertuigingen. De heilige boeken van joden en christenen worden ook door de islam als authentieke openbaring van God erkend. Andere  religies en levensovertuigingen hebben niet diezelfde status. Toch moeten moslims respect tonen voor iedere serieuze levensovertuiging, ook als het mensen betreft die zichzelf ongelovig noemen. In Medina, de eerste islamitische staat, werden het jodendom en het christendom officieel erkend, maar andere geloven en ook atheïsme werden niet verboden.

Een religie of levensovertuiging is een zaak van het hart, waarbij ieder mens recht heeft op zijn eigen beleving. Dwang heeft hierbij geen zin en werkt alleen maar averechts.

 

Deze visie is volstrekt verenigbaar met bijvoorbeeld artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarin vrijheid van gedachten, geweten en religie wordt gewaarborgd, met inbegrip van het recht om een religie of levensovertuiging te praktiseren en van religie te veranderen.

In de begintijd van de islam werd in landen die door moslims veroverd werden een zogenaamde jihya geheven, een vorm van belasting voor niet-moslims die dat konden betalen. Deze belasting was bedoeld als tegenhanger voor de zakat, die aan moslims werd opgelegd. Maar dit was een regel die gold voor een specifieke en tijdelijke situatie en tegenwoordig nergens meer van toepassing is, althans niet in officieel erkende staten.Abdelhamid Matwali, ‘Mabadi’ Nizam Al-Hukm fi Al Islam, Cairo 1978, p. 298.

Ook moet iemand die zich heeft afgewend van de islam de kans krijgen om hierover na te denken. Aan deze kans is geen tijdslimiet gesteld.Ahmed Ibn Al-Hosayn Ibn Ali Ibn Mosa Al-Khasrawjrdi Al-Kharasani Aboe Bakr Alk-Bayhaki, Al-Sunan Al-Kobra, Volume 8, Beiroet 2003, p. 197. Een beroemde moslimgeleerde, Ibrahim al-Nakhai’i (670-721 n.C.) heeft over dit onderwerp gezegd, dat als iemand afvalt van de islam hij met rust moet worden gelaten, omdat hij een heel leven voor zich heeft waarin hij nog tot inkeer kan komen. En uiteindelijk is het oordeel hierover aan God en niet aan de mensen.Zie over het thema afvalligheid ook Razi H. Quadir, Vrijheid van meningsuiting in de islam, Voorburg: U2pi 2014, p. 58-104.

Er zijn uiteenlopende meningen en standpunten te vinden over deze kwestie, zowel uit vroegere tijden als tegenwoordig. Tot op heden woedt de discussie tussen voor- en tegenstanders van de doodstraf voort. Voorstanders beroepen zich hierbij op een Hadith (overlevering over het leven van de Profeet en zijn metgezellen) waarin een afvallige de doodstraf krijgt.

Het is niet mogelijk om in het kader van dit artikel al deze meningen onder de loep te leggen. Wel dient te worden opgemerkt dat een onderzoeker in deze tijd dit vraagstuk vanuit alle mogelijke invalshoeken zou moeten bekijken, waarbij de specifieke context van deze Hadith zwaar zou moeten meewegen, niet in de laatste plaats omdat er mensenlevens op het spel staan. Wanneer een Hadith zo overduidelijk afwijkt van de geest van de Koran heeft deze alleen betrekking op een zeer specifieke situatie en mag deze niet gegeneraliseerd worden. Persoonlijk neig ik naar het standpunt dat een afvallige in de tijd van de Profeet niet zozeer werd veroordeeld vanwege het verlaten van de islam, maar eerder vanwege verraad en het zoeken van aansluiting bij vijandelijke linies.

Vrijheid van religieuze dialoog

De islam beveelt zijn volgelingen uitdrukkelijk aan om te discussiëren met mensen van andere religies. Moslims worden aangemoedigd om te leren hoe zij het beste met andersdenkenden over religie kunnen spreken. Geloof valt een ander niet op te leggen, je kunt hooguit iemand overtuigen. Maar belangrijk is allereerst het uitwisselen van gedachten. De Koran zegt hierover:

 

‘Nodig uit tot de Weg van jouw Heer, met wijsheid en goed onderricht, en wissel met hen van gedachten op de beste wijze. Voorwaar, jouw Heer weet het beste wie van Zijn Weg afgedwaald is en Hij weet beter wie de rechtgeleiden zijn.’ (16:125)

 

De Koran stelt niet dat alleen de Koran het bij het rechte eind heeft en anderen het helemaal verkeerd zien. Juist de Koran moedigt anderen, die geen moslim zijn, aan om uit te leggen waarom ze denken dat ze op de juiste weg zijn:

 

‘Zeg: “Wie schenkt jullie voorzieningen uit de hemelen en de aarde?” Zeg: “Allah! En voorwaar, wij zijn het of jullie zijn het, die zeker de rechte Leiding volgen of in duidelijke dwaling verkeren.”’ (34:24)

 

In de klassieke periode van de islam en vooral tijdens het rijk van de Abbasiden (achtste tot dertiende eeuw) vonden er veel debatten en discussies in de samenleving plaats. De kaliefen van dit rijk organiseerden bijeenkomsten in het kader van de dialoog ,waarvoor ze geleerden uit verschillende gemeenschappen, religies en stromingen binnen de religies uitnodigden. De aanwezigen discussieerden over geloofszaken en maakten vergelijkingen tussen de diverse standpunten van de religies die ze elkaar ook echt uitlegden. Ieder kreeg de kans zijn visie te geven, in alle rust en vrijheid en zonder de vrees dat iemand vanwege zijn mening nadeel zou ondervinden. De kaliefen stimuleerden deze discussies op allerlei manieren en waren er ook zelf bij betrokken. Hun bedoeling was om deze cultuur van religieuze dialoog in de samenleving breed te ontwikkelen en aan toekomstige generaties door te geven.Dr. Ali Abdel Al-Wahid Wafi, Hukuk Al-Insaan fi Al-Islam, Cairo 1979, p. 222. Op deze manier wilden ze in de samenleving een vorm vinden om te kunnen omgaan met religieuze diversiteit, waarbij het uitgangspunt was dat geloof gebaseerd moet zijn op overtuiging en niet – zoals eerder is opgemerkt – op imitatie of blinde navolging.

Idjtihad

Idjtihad betekent: zich inspannen om een uitspraak over een bepaalde kwestie af te leiden vanuit de Koran en de overleveringen van de Profeet, als men niet een heldere uitspraak kan vinden in de bronnen.Dr. Ali Abdel Al-Wahid Wafi, Hukuk, p. 220-224. Een actueel voorbeeld is euthanasie dat uiteraard nog niet aan de orde was in de tijd van de Profeet.

Het doen van een dergelijke uitspraak op een gezaghebbende wijze is voorbehouden aan de modjtahidin. Modjtahid betekent eigenlijk ‘de ijverige’, ‘iemand die zich inspant’.Dr. Wahab al-Zouhaili, Usul al-fiqh Alislami, Volume 1, Beiroet 1998, p. 495-497. Een modjtahid moet om gezaghebbend te zijn voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • kennis van de heilige Koran en de soenna;
    Het gaat hierbij om diepgaande kennis van de Koran en de tradities van de Profeet.
  • kennis van Usul al-fiqh;
    De wetenschap van Usul a-fiqh heeft betrekking op de grondslagen van het islamitische recht. Het betreft hier de uitleg van de islamitische teksten en het vastleggen van wetgeving door middel van stelregels en basisprincipes waarover de geleerden overeenstemming hebben bereikt en daarnaast het weerleggen van hetgeen incorrect is.Fagr Al-Din Al-Razi, Al-Mahsol fi Ilm Usul Al-fiqh, Volume 4, Damascus 1997, p. 20.  
  • kennis van Idjma’ kwesties;
    De juridische term Idjma’ betekent: overeenstemming van een groep geleerden of moedjtahidin uit de moslimgemeenschap na het overlijden van de Profeet omtrent religieuze zaken. Het gaat hierbij om het omgaan met nieuwe verschijnselen in de samenleving zoals euthanasie, orgaandonatie of kwesties die te maken hebben met het moslim zijn in het Westen.
  • kennis van de Qiyas;
    Qiyas is een juridische term, die betekent: in een zaak waarvoor geen directe rechtsnorm bestaat, bepalen wat de rechtsvraag is en deze beantwoorden door een vergelijkbare zaak te zoeken waarin voor deze rechtsvraag wel een rechtsnorm is vastgesteld, en deze dan toepassen. Drugs wordt bijvoorbeeld behandeld naar analogie van alcohol, omdat het in beide gevallen om bedwelmende middelen gaat.
  • beheersing van de Arabische taal en retorica.
    Retorica heeft onder andere betrekking op het logisch begrijpen van de Koran.

 

Dit zijn de traditionele eisen voor een modjtahid. Daar zou eigenlijk nog een nieuwe voorwaarde aan moeten worden toegevoegd met betrekking tot moslims in het Westen:

  • kennis van de moderne maatschappij en de taal van het land.
    Dit laatste heeft te maken met de noodzaak de maatschappelijke context te kennen die om een uitspraak vraagt. Bekend is het voorbeeld van imam Shafie, Modjtahid en grondlegger van de Rechtsschool van de Shafieten, die van Irak naar Egypte verhuisde. Over bepaalde zaken deed hij in Egypte andere uitspraken dan in Irak, omdat de maatschappelijke context anders was.

 

Het is ook bekend dat modjtahidin van oude tijden af sterk van mening konden verschillen. Zij hadden en hebben ook de vrijheid om dat te doen en het met elkaar te bespreken. Zij hebben alle vrijheid om hun meningen te ontwikkelen en te bespreken, ook als die afwijken van wat de anderen denken. Een modjtahid zal worden beloond voor zijn idjtihad, ongeacht of die door anderen correct wordt gevonden of wordt afgewezen.Dr. Ali Abdel Al-Wahid Wafi, Hukuk, p. 223.

Een gelovige die een uitspraak of fatwa van een modjtahid vraagt, hoeft deze niet klakkeloos op te volgen. Hij kan een eigen afweging maken, mits hij zelf over een bepaalde kennis van de islam beschikt en een zorgvuldig besluit neemt, dat rekening houdt met alle aspecten. De levende traditie van de islam wijst blinde navolging af en moedigt creativiteit en dialoog aan. Zoals imam Shafie heeft benadrukt, moet in veranderde omstandigheden opnieuw een idjtihad plaatsvinden.Jala al-din Abdel-Rahamn Al-Sayouti, Al-Ijtihad, Al-Radu Ala Mern Akhlada Ila Al-Ard, Jahila Ana Al-Ijtihad fi Kuli Asr, Aliksandrya 1985, p. 21-22.

2.Burgerlijke vrijheden

Niet alleen op het gebied van religie staat de islam voor een samenleving die gebaseerd is op principes van vrijheid en gelijkheid, maar ook op het terrein van de burgerrechten.

 

Uitgangspunt is de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens. Deze vrijheid wordt alleen beperkt voor zover het algemeen belang dit eist. De vrijheid van de een mag de vrijheid van de ander niet onnodig beperken. Geen enkele samenleving kan echter zonder orde; anders zouden de sterksten en machtigsten alles naar hun hand kunnen zetten.

De islam heeft een lange traditie van bezinning op burgerlijke vrijheden. Deze worden aan mannen en vrouwen gelijkelijk toegekend. Onder burgers maakt men geen onderscheid op grond van geboorte, rang en stand of etnische achtergrond. Men stelt iedereen gelijk, zoals het spreekwoord zegt: mensen zijn gelijk zoals de tanden van de kam.Dr. Ali Abdel Al-Wahid Wafi, Hukuk, p. 199. Deze gelijke behandeling geldt zowel voor niet-moslims als voor moslims. Volgens de klassieke traditie genieten niet-moslims in een islamitische staat dezelfde rechten als moslims. De wet geldt voor iedereen, moslim of niet-moslim.Dr. Ali Abdel Al-Wahid Wafi, Hukuk, p. 199.

Islamitische wetgeving met betrekking tot burgerlijke vrijheden behoort gebaseerd te zijn op de volgende zeven principes:

  1. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor rechten en plichten ligt bij de gemeenschap.
  2. Het respecteren van religieuze rechten en de opbouw van de samenleving zijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gehele samenleving.
  3. Gelijkheid tussen mensen is een basisprincipe van de islam.
  4. Rechten van minderheden moeten beschermd worden.
  5. Een vorst of regering mag het volk niet onderdrukken. Verzet tegen onrecht is legitiem of zelfs verplicht.
  6. Niemand staat boven de wet, maar de wet staat boven iedereen.
  7. Alle burgers hebben recht op vrijheid.Fahmi Hawadi, Islam wa Dimocratiyah, Cairo 1993, p. 102-113.

 

Ik wil in het bijzonder ingaan op regel 3 (gelijkheid tussen mensen) en regel 7 (recht op vrijheid).

Gelijkheid tussen mensen

Gelijkheid en broederschap tussen mensen is een basisprincipe van de islam. De mensheid wordt als één grote familie beschouwd. Ieder mens behoort tot de grote familie van dezelfde vader en moeder, Adam en Eva. De Koran is daar heel duidelijk over:

 

‘O mens, vreest jullie Heer die jullie schiep uit één enkele ziel (en die) daaruit zijn echtgenote schiep en uit hen beiden vele mannen en vrouwen deed voortkomen. En vreest Allah in wiens Naam jullie elkaar (om hulp) vragen en (onderhoudt) de familiebanden. Voorwaar, Allah is de Waker over jullie.’ (4:1)

 

De Koran benadrukt daarnaast dat diversiteit onder mensen en opvattingen van mensen een gegeven is, op het terrein van religie, etnische herkomst enz. De Koran is hier heel duidelijk over en heeft een positieve visie op deze diversiteit, zoals blijkt uit de volgende verzen:

 

‘O mensheid, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen. Voorwaar de meeste edele van jullie is bij Allah degene die het meest Allah vreest. Voorwaar, Allah is van alles op de hoogte, Alwetend.’ (49:13) 

 

‘En indien uw Heer had gewild, zouden allen die op aarde zijn, zeker tezamen hebben geloofd. Wilt gij de mensen dan dwingen, gelovigen te worden.’(11:118) 

 

‘En tot Zijn tekenen behoort ook de schepping der hemelen en der aarde, en de verscheidenheid van uw talen en [huids-]kleuren. En dit zijn voorzeker tekenen voor degenen, die willen begrijpen”.’ (30:22)

 

‘Derhalve voor u uw godsdienst en voor mij mijn godsdienst.’ (109:6)

 

Diversiteit in mensen, volkeren, stammen, religies en huidskleur zijn te beschouwen als een goddelijke gunst, een gift van God aan de mensheid. Voor een gezonde samenleving is het belangrijk dat dit Koranische principe in het onderwijs en andere maatschappelijke verbanden wordt uitgedragen. Diversiteit moet als een kracht worden gezien en niet als een zwakte.Marzouk Aulad Abdellah, ‘Pluriformiteit is onze kracht’, www.republiekallochtonie.nl/blog/opinie/imam-marzouk-aulad-abdellah-pluriformiteit-is-onze-kracht, 3 oktober 2017. Dat geldt in het bijzonder voor onze multiculturele samenleving.

 

De islam is gebaseerd op de eenheid van God en het geloof in alle profeten die God naar de volkeren heeft gezonden. Alle mensen vormen samen één grote natie, die veel breder en algemener is dan de islamitische gemeenschap. Deze eenheid overstijgt alle persoonlijke, sociale, culturele, politieke of economische verschillen.Dr. Yousef Mahmoud Salih, Hukuk Alinsan fi Alqanun wa Al-Shariah, Cairo 1995, p. 138-139.

Alle burgers hebben recht op vrijheid

De mens is vrij vanaf zijn geboorte. Mensen worden in vrijheid geboren en mogen nooit de slaaf van iemand anders zijn. Ze zijn vrij in hun manier van leven en werken, vrij om hun steun te verlenen aan maatschappelijke doeleinden en vrij om te weigeren mee te werken aan wat zij als verkeerd en corrupt beschouwen.Al-Majles Al-Ala Lil Shuun Al-Isalamiyah, Hukuk Al-Insan Bajna Al-Islam wa Al-Nodom Al-Alamiyah, Cairo 1973, p. 56.

De islam behoort burgers de volgende vrijheden te garanderen – we spreken hier niet over de praktijk maar over wat de zuivere islam inhoudt:

  • het recht op vrijheid van geloof;
  • het recht op rechtvaardigheid: iedereen moet op een gelijke manier behandeld worden voor de wet;
  • het recht op veiligheid;
  • het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Uit deze visie op de mens, waarbij vrijheid en gelijkheid basisprincipes zijn, vloeit voort dat de islam geen discriminatie toestaat, noch op grond van religie, noch op grond van afkomst, taal, ras, nationaliteit, sekse of seksuele geaardheid. Er bestaat geen verschil tussen deze visie en de kernwaarden van de Nederlandse Grondwet.Zie Grondwet: www.parlement.com/9291000/modulesf/gd0djtzd, laatst geraadpleegd

14 augustus 2016.

Dit recht op vrijheid houdt ook het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in. Bepaalde zaken gaan alleen een persoon zelf, zijn relatie met God of zijn visie op het leven en, voor zover van toepassing, zijn directe omgeving aan. Het is niet aan de buitenwereld om zich hiermee te bemoeien en de wetgeving moet deze persoonlijke ruimte eerbiedigen en beschermen. En wij als mensen horen voor elkanders rechten op dit gebied op te komen. In een diverse en pluriforme samenleving behoren daarbij de rechten van minderheden beschermd te worden door de rechtsstaat.

Vrijheid van meningsuiting is daarbij een groot goed, maar heeft ook zijn grenzen. Volgens de Nederlandse wetgeving is het niet toegestaan om haat te zaaien jegens bevolkingsgroepen of personen of op te roepen tot geweld. Het debat over hoever die vrijheid van meningsuiting mag gaan is de afgelopen jaren opnieuw opgelaaid. Het is belangrijk dat ook vanuit een wetenschappelijk verantwoorde islamitische invalshoek aan dit debat wordt deelgenomen. Aan het Centrum voor Islamitische Theologie van de Vrije Universiteit Amsterdam wordt onderzoek verricht naar dit thema en de vragen die hiermee samenhangen onder de titel Grenzen van vrijheid en vrijheid van meningsuiting.

3.Conclusie

‘Er is geen dwang in de godsdienst.’ Een geloof of levensovertuiging is een zaak van het eigen hart en geweten en kan daarom alleen in vrijheid worden aanvaard. Ook hebben mensen het recht om tot een ander geloof of een andere levensovertuiging over te gaan en dat recht dient te worden geëerbiedigd.

Ook binnen religies zijn discussies mogelijk. Er is zeker ook in de islam ruimte voor verschillende interpretaties. Soms lijken teksten in de Koran bijvoorbeeld tegenstrijdig te zijn. Een modjtahid weet hoe je hier op een verantwoorde wijze mee om kunt gaan. Maar uiteindelijk is het aan de individuele gelovige of hij met diens interpretatie mee kan gaan.

De islam is ook geen godsdienst met alleen maar voor altijd vaststaande antwoorden op de vragen van gelovigen. Als de maatschappelijke omgeving verandert, veranderen ook de uitspraken van de modjtahidin tot op zekere hoogte mee. Het ene land is het andere niet en ook situaties kunnen verschillen.

Onbeperkte vrijheid bestaat niet. Voor moslims geldt dat ze de eenheid van God erkennen en de overtuiging delen dat de Koran is geopenbaard. Verder kent ieder land wetten. Ook al ben je het als inwoner van dat land niet met alle wetten eens, ze moeten worden gerespecteerd. Niet in de laatste plaats zijn er morele basisregels die voor ieder mens en zeker voor iedere moslim gelden: de vrijheid van de een mag niet ten koste gaan van de vrijheid van een ander.

Wat voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging geldt, gaat ook op voor burgerlijke vrijheden. Vrijheid en gelijkheid dienen aan de basis te staan van wet- en regelgeving op dit terrein.