Sluiten

NTKR, Tijdschrift voor Recht en Religie

2017 / 1 (Juni)

Vrijheid van godsdienst binnen de kerk?

Geestelijken in conflict met de kerkgenootschappen waartoe zij behoren

1.Inleiding

Soms komen geestelijken omwille van hun persoonlijke overtuiging in conflict met de kerkgenootschappen waarbinnen zij functioneren. In de Nederlandse pers is breedvoerig aandacht besteed aan de opvattingen van ds. K. Hendrikse, zoals weergegeven in zijn boek Geloven in een God die niet bestaat,K. Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2007. en aan die van ds. E.J.A van der Kaaij in zijn boek De ongemakkelijke waarheid van het christendom. De echte Jezus onthuld.E.J.A van der Kaaij, De ongemakkelijke waarheid van het christendom. De echte Jezus onthuld, Soest: Boekscout 2015. Beide auteurs zijn predikant in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), en in beide gevallen werd tegen de betrokkene een klacht ingediend bij het bevoegde kerkelijk orgaan, conform de daarvoor geldende kerkordebepalingen. Het merendeel van de gevestigde kerken kent dergelijke regelingen. Zij beperken in beginsel de vrijheid van godsdienst binnen de kerk tot op zekere hoogte. Dat geldt in de regel in elk geval voor de geestelijken van die kerken, en dan met name voor zover zij zich in hun ambtelijke rol willen uitspreken.

In deze bijdrage wil ik deze beperking van de individuele vrijheid van godsdienst kritisch evalueren. Ik zal eerst kort schetsen hoe een kerk in een dergelijke situatie optreedt, waarbij bij wijze van voorbeeld de regelgeving van de PKN wordt weergegeven. Vervolgens komt de vraag aan de orde hoe binnen het burgerlijk recht bij een conflict als geschetst de afweging plaatsvindt tussen de rechten die samenhangen met de persoonlijke religieuze overtuiging van een geestelijkeIk gebruik de termen ‘geestelijke’ en ‘voorganger’ hier als synoniem. In sommige kerken is men met de eerste term vertrouwd, in andere zal men de laatste eerder gebruiken. Kerken hebben overigens zeer onderscheiden aanduidingen voor de hier relevante ambten. In Nederlandse wetgeving en jurisprudentie wordt wel gesproken van ‘bedienaren van de godsdienst’, in Europese jurisprudentie van ‘ministers of religion’. enerzijds en de rechten die samenhangen met de door het kerkelijk instituut gehuldigde opvattingen anderzijds. Daarbij concentreer ik me op de Straatsburgse jurisprudentie.Ik dank dr. Nelleke Koffeman LL.M., expert met betrekking tot het EHRM, voor haar waardevolle kanttekeningen bij een eerder concept voor dit artikel. Ik sluit deze bijdrage af met enkele theologische kanttekeningen.

2.Leerconflicten binnen kerkelijk recht

Gevestigde kerken, dat wil zeggen kerken met een geschiedenis van eeuwen, hebben over het algemeen in een kerkorde vastgelegde procedureregels die bij een ‘leerconflict’ – een conflict over theologische vragen, veelal tussen een voorganger en het bevoegd gezag in de betrokken kerk – gevolgd dienen te worden. Die regels verschillen per kerk. Om een indruk te geven, beschrijf ik kort de procedure die daarvoor van kracht is binnen de PKN, een kerk die in 2004 ontstond door vereniging van drie kerkgenootschappen.Zie B. Wallet, Samen op Weg naar de Protestantse Kerk in Nederland. Het verhaal achter de vereniging, Zoetermeer: Boekencentrum 2005.

De kerkorde van de PKNKerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland,  www.protestantsekerk.nl/actief-in-de-kerk/bibliotheek/bibliotheek?q=Kerkorde-en-ordinanties-compleet [geraadpleegd op 29 november 2016]. bestaat uit een soort grondwet voor de kerk, de ‘romeinse artikelen’ of ‘eigenlijke kerkorde’, die wordt uitgewerkt in veertien ordinanties. Op een lager niveau zijn er dan nog generale regelingen en andere richtlijnen. Hier kan ik me beperken tot de kerkorde en de ordinanties. Daarin gaat het dan om het ‘opzicht’, de kerkordelijke term voor de mogelijkheden die de kerk heeft om zich een oordeel te vormen over handel en wandel van haar leden, en om daaromtrent eventueel maatregelen te nemen. De kerkorde onderscheidt verschillende vormen van opzicht, waaronder het ‘opzicht over belijdenis en wandel’ (dat alle leden raakt, inclusief de ambtsdragers) en het ‘opzicht over de verkondiging en de catechese alsmede over de opleiding en vorming van predikanten’ (dat de predikanten en andere voorgangers betreft, alsmede degenen die predikanten opleiden).

Wat de leden van de kerk in het algemeen betreft kan ik kort zijn. Als iemand ‘zich schuldig maakt aan onchristelijke belijdenis of levenswandel of aan een andere wijze van verstoren van de orde in het leven en werken van de kerk’ (ord. 10-9-6 Kerkorde PKN), kan gebruikgemaakt worden van middelen van kerkelijke tucht zoals een terechtwijzing of vermaning (die kan inhouden dat deelname aan het avondmaal ernstig wordt ontraden), of een schorsing in de bevoegdheid tot uitoefening van het actief en passief kiesrecht. Dat beperkt dus althans de vrijheid van een lid van de kerk om op geheel eigen wijze uitdrukking te geven aan zijn of haar religieuze overtuiging of beleving. Een gemeentelid dat bijvoorbeeld een niet-christelijk ritueel zou introduceren, zou op grond hiervan met zo’n maatregel geconfronteerd kunnen worden. Of hiervan sprake is, wordt dan beoordeeld door een onafhankelijk rechtsprekend college. Mij zijn uit de recente geschiedenis geen zaken bekend waarbij een gemeentelid zich in een dergelijk geval beriep op de vrijheid van godsdienst.

Voor de vraagstelling van dit artikel is de tweede vorm van opzicht relevant, het opzicht over predikanten en bijvoorbeeld hoogleraren van de Protestantse Theologische Universiteit.De PThU staat door middel van een raad van toezicht onder het gezag van de generale synode van de PKN. Dit opzicht

 

‘strekt tot de rechte bediening van het Evangelie en tot wering uit verkondiging en kerkelijk onderricht van datgene wat de fundamenten van de kerk aantast, doordat het de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift uitsluit en de gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht verbreekt’.Ord. 10-13-1 Kerkorde PKN.

 

Indien daartoe aanleiding is, wordt eerst op regionaal niveau een onderzoek ingesteld waarbij de betrokkene alle kans krijgt om de eigen visie toe te lichten en te onderbouwen. Mocht dat leiden tot de conclusie dat een tuchtmaatregel overwogen zou moeten worden, dan wordt de behandeling doorgeschoven naar het hoogste bestuurlijke orgaan van de kerk, de generale synode.Opmerkelijk is dat alleen bij deze vorm van opzicht, althans in eerste instantie, geen sprake is van onafhankelijke rechtspraak. Alle andere vormen van opzicht zijn toevertrouwd aan (van het kerkelijk bestuur) onafhankelijke colleges voor het opzicht. Ook op dat niveau vindt opnieuw een uitvoerig onderzoek plaats. Komt de generale synode uiteindelijk tot het judicium dat de omstreden opvattingen ‘het belijden van de kerk weerspreken’ (ord. 10-15-5 Kerkorde PKN), dan stelt de synode een termijn vast waarbinnen de predikant de gelegenheid geboden wordt zich naar dit oordeel te voegen. Doet deze dat niet, dan draagt de generale synode de zaak alsnog over aan een onafhankelijk college, het generale college voor het opzicht. Dat kan uiteindelijk leiden tot een van de volgende maatregelen: een terechtwijzing, een ambtelijke vermaning, een schorsing voor bepaalde of voor onbepaalde tijd, of een ontzetting uit het ambt. In de zaken rond Hendrikse en Van der Kaai is op regionaal niveau niet geoordeeld dat een tuchtmaatregel overwogen moest worden. Daarmee kwamen die procedures tot een einde.

3.Civielrechtelijk perspectief

Het is denkbaar dat een predikant die geconfronteerd wordt met een zware kerkelijke tuchtmaatregel als hiervoor aangeduid, zoals ontzetting uit het ambt (met directe gevolgen voor het inkomen), zich uiteindelijk, nadat de kerkelijke rechtsmiddelen zijn uitgeput, tot de burgerlijke rechter zou wenden om de betrokken maatregel van tafel te krijgen. Daarbij zou deze zich kunnen beroepen op de eigen vrijheid van godsdienst. Vanuit het perspectief van de Nederlandse civielrechtelijke jurisprudentie is een dergelijke zaak praktisch kansloos: ‘In de jurisprudentie zien we het standpunt dat de burgerlijke rechter zich niet uitspreekt over geloofskwesties herhaaldelijk terugkomen.’A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding. De burgerlijke rechter en kerkelijke geschillen, Meppel: Boom 2002, p. 188.

Maar daarmee is niet alles gezegd. De predikant zou zich immers vervolgens tot het Europese Hof in Straatsburg kunnen wenden. Nederland maakt deel uit van de Raad van Europa, en binnen de Raad van Europa functioneert het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en het daaraan gekoppelde Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, hierna ook aangeduid als ‘het Hof’) in Straatsburg. Praktisch alle Europese landen zijn partij bij dit Verdrag, dat voorziet in een individueel klachtrecht. Individuen kunnen zich onder bepaalde voorwaarden tot het EHRM wenden wanneer zij menen door de autoriteiten van een Verdragspartij (met inbegrip van de eigen hoogste rechter) te zijn behandeld op een wijze die niet strookt met het EVRM.Vgl. art. 34 en 35 EVRM. Zoals ik hieronder zal laten zien, zijn meer dan eens dergelijke klachten ingediend vanuit landen waar Kerk en Staat een totaal andere relatie tot elkaar hebben dan in Nederland. Zo is in Denemarken de Lutherse kerk een staatskerk. Ook in Duitsland zijn onder meer de Evangelische Kirche en de Rooms-Katholieke Kerk publiekrechtelijke in plaats van privaatrechtelijke organisaties. In zulke contexten draagt de overheid een meer directe verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in de kerk. In die context kan de burgerlijke rechter ook sneller hebben te oordelen over kerkelijke zaken, en derhalve kan een kerkelijke zaak, als zaak tegen die overheid, in laatste instantie ook sneller leiden tot een procedure bij het Hof.

Bepalend is in zulke zaken art. 9 EVRM:

 

‘1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’

 

In art. 9 EVRM wordt de bescherming van het forum internum onderscheiden van die van het forum externum. De bescherming van het forum internum, de ‘vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst’ waarmee art. 9 lid 1 EVRM inzet, is ongeclausuleerd. Niemand mag dus onder dwang een mens tot andere opvattingen brengen. Maar het wordt anders wanneer het vervolgens gaat om het tot uitdrukking brengen van deze overtuiging, het forum externum. Immers, als absolute gewetensvrijheid ook een absolute vrijheid zou impliceren om naar het religieus of anderszins geïnspireerde geweten te handelen, zou dat de rechtsorde fundamenteel ondermijnen.Vgl. B.P. Vermeulen, ‘Freedom of religion: past and present’, in: J.M.M. Naber (ed.), Freedom of religion: a precious human right. A survey of advantages and drawbacks, Assen: Van Gorcum 2000, p. 18-27, i.h.b. p. 20. Daarom worden drie criteria geformuleerd die een beperking van de vrijheid van godsdienst kunnen rechtvaardigen: daarin moet zijn voorzien bij wet, de beperking moet een legitiem doel dienen, en de beperking moet noodzakelijk zijn.

4.Straatsburgse jurisprudentie

Ik beperk me hier tot de bespreking van een viertal al wat oudere zaken uit de Straatsburgse jurisprudentie,Zie ook de door het Hof uitgegeven Guide on Article 9 – Freedom of thought, conscience and

religion, par. 181-183, www.echr.coe.int/Documents/Guide_Art_9_ENG.pdf [geraadpleegd op 29 november 2016]. omdat daarin sprake was van een conflict dat als zodanig direct betrekking had op de opvattingen van een voorganger.Zaken waarin het niet gaat om voorgangers maar om anderen in kerkelijke dienst (zoals EHRM 3 februari 2011, Siebenhaar/Duitsland, 18136/02, http://hudoc.echr.coe.int/eng#{"itemid":["001-103236"].) laat ik buiten beschouwing. Hetzelfde geldt voor zaken waarin niet een kerk als zodanig maar bijvoorbeeld een universiteit partij was (vgl. EHRM 20 januari 2010, Lombardi Valauri/Italië, 39128/05, http://hudoc.echr.coe.int/eng#{"itemid":["001-95150"]}). Uiteraard speelt in zaken die in eerste instantie te maken hebben met de persoonlijke levenssfeer van voorgangers dan wel met hun handelen, op de achtergrond veelal ook een andere theologische visie een rol. Ook aan zulke zaken ga ik hier voorbij. In alle gevallen beriep deze zich tegenover zijn kerk expliciet op de eigen vrijheid van godsdienst. Het gaat om X/Denemarken,EHRM 8 maart 1976, X/Denemarken, 7374/76, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-74834.Karlsson/Zweden,EHRM 8 september 1988, Karlsson/Zweden, 12356/86, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-249.Williamson/het Verenigd KoninkrijkEHRM 17 mei 1995, Williamson/het Verenigd Koninkrijk, 27008/95,

http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-2195. en Spetz e.a./Zweden.EHRM 12 oktober 1994, Spetz e.a./Zweden, 20402/92, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-1957. De zaken speelden alle voor 1998, het jaar waarin het Hof werd ingesteld. Voordien werd de functie van het huidige Hof uitgeoefend door de Commissie. Het Hof verwijst waar opportuun ook steeds naar de jurisprudentie van de Commissie. In deze zaken is steeds het beroep dat iemand deed op zijn persoonlijke religieuze overtuiging tegenover de kerk waartoe betrokkene op dat moment behoorde, niet-ontvankelijk (inadmissible) verklaard, als ‘kennelijk ongegrond’ (manifestly ill-founded).Vgl. art. 35 lid 3 EVRM. Daarbij moet worden opgemerkt dat de praktijk van Straatsburg als het gaat om niet-ontvankelijkheid wegens ‘kennelijke ongegrondheid’ afwijkt van wat we in de Nederlandse rechtspraak kennen. Waar in de Nederlandse bestuursrechtspraak alleen sprake is van kennelijke ongegrondheid als dat ook direct duidelijk is,Vgl. http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:4724. Vgl. ook

art. 4:17, 7:3, 7:17, 8:54, 8:83, 9:10 en 9:23 Awb. kent het Hof een ruimere praktijk. Een verzoekschrift kan ook onontvankelijk worden verklaard,

 

‘if a preliminary examination of its substance does not disclose any appearance of a violation of the rights guaranteed by the Convention, with the result that it can be declared inadmissible at the outset without proceeding to a formal examination on the merits (which would normally result in a judgment)’.Practical guide on admissibility criteria, Council of Europe/European Court of Human Rights, Straatsburg 2014, par. 375, http://echr.coe.int/Documents/Admissibility_guide_ENG.pdf

[geraadpleegd op 29 november 2016].

 

Dat daarvoor soms wel degelijk uitvoerige beraadslaging en een gedetailleerde redenering nodig is, doet daar niets aan af. Hier speelt een van de fundamentele principes onder het hele systeem van het EVRM een rol, namelijk de subsidiaire rol van het Hof. Het zijn primair de verdragsstaten zelf die de rechten van de mens hebben veilig te stellen, en die bijvoorbeeld hebben te bepalen welke beperkingen – in de zin van art. 9 lid 2 EVRM – noodzakelijk zijn. Alleen waar zij daarin tekortschieten, ligt er een rol voor het Hof. Daarbij houdt het Hof rekening met de beoordelingsruimte (‘margin of appreciation’) die elke Partij bij het Verdrag toekomt. In zaken waarover binnen Europa bijvoorbeeld weinig of geen consensus bestaat, zoals moreel gevoelige thema’sVgl. N.R. Koffeman, Morally sensitive issues and cross-border movement in the EU. The cases of

reproductive matters and legal recognition of same-sex relationships, diss. Leiden, Mortsel: Intersentia 2015, p. 639. of zaken met betrekking tot de verhouding van Kerk en Staat,Vgl. EHRM 1 juli 2014, S.A.S./Frankrijk, 43835/11, par. 129, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-145466: ‘It is also important to emphasise the fundamentally subsidiary role of the Convention mechanism. The national authorities have direct democratic legitimation and are, as the Court has held on many occasions, in principle better placed than an international court to evaluate local needs and conditions. (…) This is the case, in particular, where questions concerning the relationship between State and religions are at stake’. respecteert het Hof een grote beoordelingsruimte voor de afzonderlijke staten.

In de vier genoemde zaken gaat het steeds om kennelijke ongegrondheid omdat de Commissie geen schending van het EVRM vaststelt. Voor zover al sprake was van een beperking van de vrijheid van godsdienst, bleef dat binnen de criteria van art. 9 lid 2 EVRM.

4.1.X/DenemarkenEHRM 8 maart 1976, X/Denemarken, 7374/76, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-74834.

Deze zaak speelde in 1976. De betrokken geestelijke, naar Deens recht tevens ambtenaar, eiste op grond van zijn persoonlijke overtuiging van doopouders dat zij vijf catechetische bijeenkomsten zouden bijwonen alvorens hun kind gedoopt kon worden. De kerk sprak hem daarop aan, en verzocht hem deze praktijk aan te passen aan de regels van de landelijke kerk dan wel zijn positie op te geven. Impliciet dreigde voor hem ontslag uit zijn dienst. Volgens de geestelijke was hierbij zijn vrijheid van godsdienst in geding. De Commissie oordeelt dat het ontslag van een ambtenaar onder bepaalde omstandigheden in strijd kan komen met art. 9 EVRM. Echter, bij deze categorie ambtenaren ligt dat anders, juist omdat het een kerk betreft. Een kerk is immers gebaseerd op identieke of althans substantieel soortgelijke opvattingen. Juist op grond van art. 9 EVRM heeft de kerk de vrijheid uniformiteit in haar religieuze praktijken af te dwingen. Ook in een staatskerk blijft gelden dat de geestelijken in dienst zijn genomen om een specifieke godsdienst te dienen. In het aanvaarden van een positie binnen de kerk maken zij persoonlijk gebruik van hun vrijheid van godsdienst, en dat kunnen zij opnieuw doen door de kerk te verlaten:

 

‘Their individual freedom of thought, conscience or religion is exercised at the moment they accept or refuse employment as clergymen, and their right to leave the church guarantees their freedom of religion in case they oppose its teachings. In other words, the church is not obliged to provide religious freedom to its servants and members, as is the State as such for everyone within its jurisdiction’ (par. 1).

 

De conclusie is: de klacht van de geestelijke valt niet binnen de reikwijdte van art. 9 EVRM, en is daarom niet-ontvankelijk.

4.2.Karlsson/ZwedenEHRM 8 september 1988, Karlsson/Zweden, 12356/86, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-249.

In 1988, en tot 2000, was ook de Zweedse lutherse kerk nog voluit een staatskerk. Karlsson rekende zichzelf tot de ‘oud-kerkelijkheid’ die de toelating van vrouwen tot het ambt (sinds 1960) afwees. Hij solliciteerde op een positie waarin hij te maken zou krijgen met een assistent-priester. Hij weigerde de (zijns inziens hypothetische) vraag te beantwoorden of hij zou kunnen samenwerken met een vrouwelijke geestelijke. Daarom werd hij ‘niet gekwalificeerd’ bevonden voor de door hem gewenste positie. In bezwaar sprak de Zweedse overheid uit dat niet zijn persoonlijke overtuiging als zodanig hem diskwalificeerde, maar dat wel moest worden gesteld dat betrokkene niet vruchtbaar zou kunnen samenwerken met vrouwelijke collega’s. Tegenover de Commissie beriep Karlsson zich op schending van maar liefst zeven van de in het EVRM genoemde vrijheidsrechten. Hier is echter alleen het beroep op art. 9 en 10 EVRM van belang: de schending van zijn recht op vrijheid van gedachten, geweten en religie, in combinatie met zijn recht op vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM). Voor zover art. 9 EVRM in het geding is, herinnert de Commissie aan de beslissing in X/Denemarken om nog eens vast te stellen dat staten onder het EVRM niet verplicht zijn te verzekeren dat kerken hun leden en bedienaren vrijheid van godsdienst toekennen (par. 1). Die vrijheid van het individu impliceert dan ook niet dat de kerk bij een sollicitatie geen rekening zou mogen houden met de specifieke religieuze opvattingen van een sollicitant:

 

‘if the requirements imposed upon a person by the church should be in conflict with his convictions he should be free to leave his office, and the Commission regards this as an ultimate guarantee of his right to freedom of thought, conscience and religion’ (par. 1).

 

Met andere woorden: het recht het ambt op te geven is voor betrokkene als het erop aankomt dé garantie voor zijn vrijheid van gedachte, geweten en religie. De Commissie is van oordeel dat het feit dat betrokkene niet gekwalificeerd wordt geacht voor de door hem begeerde positie, niet moet worden gezien als een afwijzing van zijn opvattingen als zodanig. Kortom, de klacht is kennelijk ongegrond. Een vergelijkbare redenering geldt ook voor het beroep op de vrijheid van meningsuiting. Op deze gronden verklaart de Commissie de klacht niet-ontvankelijk.

4.3.Williamson/het Verenigd KoninkrijkEHRM 17 mei 1995, Williamson/het Verenigd Koninkrijk, 27008/95,

http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-2195.

Over deze zaak besliste de Commissie in 1995. Ook de Church of England is een staatskerk, en had in 1993 eerste stappen gezet om – via een Act of Parliament – vrouwen toe te laten tot de ambten. Voor priesters die het daarmee niet eens waren, en die om die reden hun ambt neerlegden, werd een financiële regeling getroffen. In dit geval bestreed de klager, een priester in de Church of England, voor de Commissie het recht als zodanig van de kerk om deze maatregelen te nemen. Het zou heretisch zijn, een schisma veroorzaken en onwettig zijn. Het Engelse High Court achtte het aanspannen van de zaak een ergerlijk misbruik van recht (‘vexatious and an abuse of process’): de argumenten waren immers puur theologisch van aard: ‘He [the judge] considered that the applicant’s contentions were based on his theological views, and were plainly wrong in law’. Daarop wendde Williamson zich tot de Commissie in Straatsburg, vanwege schending van art. 9 EVRM. Hij zag de toelating van vrouwen tot het ambt als een inbreuk op het Engelse constitutionele recht. Het feit dat hij vrouwen als priester zou moeten accepteren, ging voor hem in tegen zijn geweten en zijn geloof. Toch zou hij moeten meewerken aan een voor hem niet verantwoorde situatie, en het gevaar lopen ontslagen te worden. De kerk had haar identiteit veranderd zonder hem daarin te betrekken, en zijn ambtseed, afgelegd lang voor deze maatregel werd ingevoerd, was daarmee gecompromitteerd. De Commissie stelde vast dat van een directe dreiging van ontslag geen sprake was. Voorts wordt opgemerkt dat de veranderingen in de Church of England de structuur van die kerk betreffen en niet de geloofsovertuigingen van de klager. Dan volgt ook hier een herinnering aan een eerdere beslissing, namelijk Karlsson/Zweden, wat betreft de mogelijkheid het ambt neer te leggen. Bij de behandeling van de kwestie binnen de Engelse rechtspraak is geen enkele twijfel gebleken over de wettelijkheid van de genomen maatregelen. En gedurende iemands loopbaan is de aard van de betrokken positie nu eenmaal aan verandering onderhevig. De Commissie waardeert de toelating van vrouwen tot het ambt expliciet positief op grond van art. 14 EVRM, het antidiscriminatie-artikel. In dat licht kon het besluit van de Anglicaanse Kerk worden beschouwd als een noodzakelijke beperking in de zin van art. 9 lid 2 EVRM, en bovendien wettelijk voorgeschreven (‘prescribed by law’) en legitiem. Kortom, de klacht is kennelijk ongegrond, en daarmee niet-ontvankelijk.

4.4.Spetz e.a./ZwedenEHRM 12 oktober 1994, Spetz e.a./Zweden, 20402/92,

http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-1957.

In deze zaak, waarover de Commissie in 1994 besliste, klaagden vertegen­woordigers van een onafhankelijke Pinkstergemeente in Zweden – onder wie vier voorgangers en een recent gehuwd echtpaar – de Zweedse staat aan. Naar Zweeds recht kunnen ook de voorgangers van bepaalde andere kerken dan de Lutherse staatskerk het recht krijgen om burgerlijke huwelijken te sluiten. In 1988 werden de licenties van de vier voorgangers van deze specifieke gemeente echter door het daartoe ingestelde overheidsorgaan ingetrokken, omdat zij in woord en daad, door actieve steun te verlenen aan een zich afsplitsende groep, hadden getoond zich niet te beschouwen als deel van de officieel erkende Pinksterbeweging. Hoewel deze bestuurlijke beslissing door de Zweedse rechter in eerste aanleg als onwettig werd gekwalificeerd, bleef deze in beroep toch staan. Een voorganger die niet langer tot de officieel erkende Pinksterbeweging behoorde, zou zich niet kunnen beroepen op de hem gegeven licentie, omdat de bevoegdheid van het orgaan dat de licenties verleende was beperkt tot juist die geloofsgemeenschap. Formeel waren daarmee 21 inmiddels gesloten huwelijken (waaronder dat van twee van de klagers) ongeldig, maar de overheid zou deze op verzoek van betrokkenen alsnog legaliseren. Echter, slechts vier echtparen dienden zo’n verzoek in. De klagers stelden in hoger beroep voor de Zweedse rechter dat het recht de licentie te verlenen niet het recht impliceerde die ook weer in te trekken, en dat er in elk geval een beroepsmogelijkheid zou moeten zijn. De hoogste Zweedse bestuursrechter achtte zich echter in deze zaak onbevoegd. Ook verzoeken om alsnog de 21 huwelijken in een keer te legaliseren, en om voorgangers van de betrokken geloofsgemeenschap alsnog het recht te geven huwelijken te sluiten, werden afgewezen. De klacht in Straatsburg betreft ook hier meer dan alleen art. 9 EVRM, maar ik beperk me tot dat aspect van de zaak. Het intrekken van de licenties zou een schending van art. 9 (en 10) EVRM zijn, ‘een straf voor het christelijk geloof van betrokkenen’. Hun licenties zouden zijn ingetrokken omwille van hun visie op bepaalde geloofskwesties. De Commissie verwijst ook hier allereerst naar de hiervoor reeds besproken uitspraken: ‘The pastor’s right to freedom of thought, conscience and religion vis-à-vis the church is guaranteed by his right to leave the church’ (par. 2). Het recht van het betrokken echtpaar is evenmin aangetast, want het huwelijk is niet eenvoudigweg een expressie van een geloofsovertuiging, maar wordt geregeerd door art. 12 EVRM, het recht te huwen en een gezin te stichten (par. 2). De overheid kan de Pinksterbeweging niet dwingen deze gemeente te aanvaarden. Klagers zijn niet belemmerd in de uitoefening van hun recht op vrijheid van godsdienst. Hetzelfde geldt voor hun vrijheid van meningsuiting. Op deze gronden werd ook deze klacht kennelijk ongegrond en dus niet-ontvankelijk verklaard.

4.5.Samenvatting

Samenvattend roept deze jurisprudentie het volgende beeld op.Zie ook: Guide on Article 9 (noot 13), par. 181-183. Als het gaat om conflicten tussen kerken en hun geestelijken, hebben staten niet de verplichting van religieuze gemeenschappen binnen hun jurisdictie te verlangen dat zij vrijheid van godsdienst voor hun geestelijken veiligstellen. Dat geldt al niet voor staten die een relatief grote institutionele verantwoordelijkheid dragen voor bepaalde kerken, en dus zeker niet voor staten waarin de scheiding van Kerk en Staat meer nadrukkelijk is vormgegeven. Veel religies geven immers gedragsregels voor hun aanhangers. Art. 9 EVRM garandeert dus geen ‘right to dissent’ binnen een religieuze organisatie. Dat is de consequentie van het respect dat staten moeten opbrengen voor de autonomie van zulke organisaties. Deze hebben het recht interne bewegingen die hun eenheid zouden kunnen bedreigen, tegen te gaan. De staat mengt zich niet als scheidsrechter in zulke conflicten.Vgl. EHRM 9 juli 2013, Sindicatul ‘Păstorul cel Bun’/Romania, 2330/09, par. 165; EHRM 12 juni 2014, Fernández Martínez/Spain, 56030/07, par. 128.

In meer recente Straatsburgse jurisprudentieZo o.a. in EHRM 3 februari 2011, Siebenhaar/Duitsland, 18136/02, par. 46,

http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-103236. wordt daarbij ook verwezen naar de zogenaamde non-discriminatierichtlijn van de Europese Unie. Daarin wordt met zoveel woorden ruimte gemaakt voor het maken van onderscheid:

 

‘De lidstaten kunnen op het moment van vaststelling van deze richtlijn bestaande nationale wetgeving handhaven of voorzien in toekomstige wetgeving waarin op de datum van vaststelling van deze richtlijn bestaande nationale praktijken worden opgenomen, die bepaalt, dat in het geval van kerken en andere publieke of particuliere organisaties, waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, voor wat betreft de beroepsactiviteiten van deze organisaties een verschil in behandeling gebaseerd op godsdienst of overtuiging van een persoon geen discriminatie vormt indien vanwege de aard van de activiteiten of de context waarin deze worden uitgeoefend de godsdienst of overtuiging een wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste vormt gezien de grondslag van de organisatie. Dit verschil in behandeling wordt toegepast met inachtneming van de grondwettelijke bepalingen en beginselen van de lidstaten en van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, en mag geen op een andere grond gebaseerde discriminatie rechtvaardigen.

Mits de bepalingen van deze richtlijn voor het overige worden geëerbiedigd, laat deze richtlijn derhalve het recht van kerken en andere publieke of particuliere organisaties waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, onverlet om, handelend in overeenstemming met de nationale grondwettelijke en wettelijke bepalingen, van personen die voor hen werkzaam zijn, een houding van goede trouw en loyaliteit aan de grondslag van de organisatie te verlangen.’Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van Europa van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, art. 4 lid 2 Richtlijn 2000/78/EG, http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex:32000L0078. Als religieuze organisaties zich in zulke gevallen niet houden aan hun eigen regels, zijn ze uiteraard wel kwetsbaar. In de Nederlandse rechtspraak impliceert de marginale toetsing die de rechter in zulke gevallen toepast onder meer de vraag of kerken zich aan hun eigen kerkordelijke regels hebben gehouden.

 

Staten zijn dus niet verplicht van religieuze gemeenschappen binnen hun jurisdictie te verlangen dat zij vrijheid van godsdienst voor hun leden en geestelijken veiligstellen. Hebben zij niettemin wel het recht dat te doen? In het licht van bovengenoemde richtlijn zou de vraag zijn: kunnen nationale (grond)wettelijke bepalingen het recht van de kerken in dit opzicht beperken? Het is een vraag voor experts op het gebied van Europees recht; ik reken mij daartoe niet, maar mij lijkt het bij de huidige stand van zaken in de jurisprudentie niet waarschijnlijk dat staten dat recht zouden hebben.

5.Theologische kanttekeningen

5.1.Het ambt neerleggen

In Karlsson/Zweden en Williamson/het Verenigd Koninkrijk overweegt de Commissie dat bij een conflict tussen een kerk en een geestelijke de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst voldoende is gewaarborgd door het gegeven dat betrokkene het ambt kan neerleggen. Op zichzelf lijkt me dat juist: de vrijheid van de persoonlijke overtuiging hoeft niet in het gedrang te komen. Ook in de kerk is alleen ‘de vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen’ aan beperkingen onderhevig. Over opvattingen als zodanig, het forum internum, oordeelt ook de kerk niet, ook niet als die in de sfeer van bijvoorbeeld een pastoraal gesprek of een ander vertrouwelijk beraad naar voren komen. In de kerk geldt vanouds de regel: de intimis non iudicat ecclesia, over het innerlijk oordeelt de kerk niet. In geen van beide cases was dat vanuit het perspectief van de kerk overigens aan de orde. De persoonlijke overtuiging van zowel Karlsson als Williamson werd door de kerk als legitiem erkend.

Vanuit een kerkrechtelijk perspectief kan echter wel de vraag gesteld worden of een geestelijke inderdaad zonder meer het recht heeft het ambt neer te leggen. Dat verschilt ongetwijfeld van kerk tot kerk. In de rooms-katholieke traditie kan de wijding niet ongedaan gemaakt worden, maar kan van een ‘kerkelijk ambt’, dat wil zeggen een concrete ‘taak krachtens hetzij goddelijke hetzij kerkelijke ordening duurzaam ingesteld’ afstand worden gedaan, waarbij echter die afstand wel aanvaarding door de betrokken kerkelijke overheid vereist om geldig te zijn.Codex Iuris Canonici, c. 187-189, vgl. c. 145. In de Protestantse Kerk in Nederland geldt de regel van ord. 3-26-1 Kerkorde PKN: ‘Het staat een predikant niet vrij het ambt neer te leggen. Een predikant kan evenwel op eigen verzoek eervol van het ambt worden ontheven’. Het eenzijdig neerleggen van het ambt geldt als een verbreking van een eens afgelegde gelofte, en is als zodanig tuchtwaardig. In de praktijk is het overigens nauwelijks denkbaar dat een verzoek tot ontheffing van het ambt niet zou worden gehonoreerd.

Het lijkt me overigens waarschijnlijk dat juist voor geestelijken als Karlsson en Williamson het ondenkbaar zou zijn vrijwillig het ambt op te geven. De eigen ambtsspiritualiteit van geestelijken die in de discussie rond de wijding van vrouwen een positie kiezen als de hunne, zal impliceren dat het verlaten van het ambt als het breken van een dure gelofte wordt ervaren. De overweging van de Commissie dat een geestelijke te allen tijde het ambt kan neerleggen, wordt bepaald door een buitenperspectief: het zal de betrokkene niet overtuigen. Hier loopt de burgerlijke rechtspraak in zekere zin aan tegen de grens van haar mogelijkheid recht te doen aan de overtuiging van burgers. Dat wordt nog sterker zichtbaar in de hierna volgende paragraaf.

5.2.De kerk verlaten

Ingewikkelder ligt het bij een vergelijkbare redenering die we vinden in de uitspraken in X/Denemarken en Spetz e.a./Zweden. Daarin acht de Commissie de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst voldoende gewaarborgd door het gegeven dat de betrokken geestelijke de kerk kan verlaten. In Spetz e.a./Zweden is dat in zoverre niet problematisch dat de oorzaak van het conflict nu juist lag in het feit dat de klagers de facto de officieel erkende Pinksterbeweging hadden verlaten. Leden van godsdienstige groeperingen als de Pinksterbeweging gaan in het algemeen gemakkelijk over van de ene gemeenschap naar de andere. Maar voor andere christenen kan dat heel anders liggen. Dat is volstrekt afhankelijk van de eigen visie op de kerk.

De Amerikaanse ethicus William Everett noemt in een artikel over mensenrechten in de kerkW.J. Everett, ‘Human Rights in the Church’, in: J. Witte Jr. en J.D. van der Vyver (red.), Religious Human Rights in Global Perspective. Religious Perspectives, The Hague/Boston/London 1996,

p. 121-141. Zie voor de bredere thematiek van kerk en mensenrechten ook: A. Houtepen, ‘From freedom of religion towards a really free religion’, in: Naber 2000 (noot 12), p. 43-53; Leo J. Koffeman, In Order to Serve: An Ecumenical Introduction to Church Polity, Zürich: LIT Verlag 2014, p. 260-264. als een van de factoren die medebepalend zijn voor de rol die mensenrechten kunnen spelen in een kerk, de wijze waarop de betrokken kerk zichzelf theologisch verstaat (haar ecclesiologie). Dan gaat het om de wijze waarop fundamentele theologische waarden worden doorvertaald in een organisatiemodel. Everett plaatst de verschillende varianten op een schaal tussen enerzijds familiale en anderzijds conciliaire modellen.

Een familiale ecclesiologie is gebaseerd op de gedachte dat de ouder-kindrelatie fundamenteel is voor het menselijk welzijn, en daarom ook de beste analogie biedt voor kerkelijke verhoudingen. Vaak zit er een patriarchale en monarchische trek in, zoals bijvoorbeeld de Rooms-Katholieke Kerk heel duidelijk laat zien. Centraal staan waarden als: zorg, beheersing, opvoeding, overdracht van geestelijk erfgoed: ‘In this model, church membership has about the same degree of voluntariness as does membership in a family’.Everett 1996, p. 134. In zulke kerken, voeg ik eraan toe, is de kinderdoop vanzelfsprekend: kinderen horen erbij, ongeacht of zij daar zelf voor kiezen. Veelal ligt ook meer nadruk op het deelnemen aan de geijkte rituelen dan op (het kunnen verwoorden van) een persoonlijke geloofsovertuiging.

Een conciliair model, daarentegen, heeft als punt van vergelijking de relatie tussen volwassenen in de publieke ruimte: die berust op afspraken en contracten. Niet de traditie maar de onderlinge overeenstemming is primair bepalend voor de mate van gemeenschap. Het gaat om waarden als argumentatie, geweten en zelfstandig denken, waarden die dichter liggen bij de waarden die in de vrijheidstraditie sinds Locke centraal staan. Zo’n conciliair model speelt in protestantse kerken veelal een grote rol, zo al niet in de formele leer dan toch zeker in de feitelijke beleving. In nieuwere christelijke geloofsgemeenschappen op protestants erf, zoals de Pinkstergemeenten, is dit model dominant: de kinderdoop wordt dan ook afgewezen, en de persoonlijke geloofsovertuiging is van essentieel belang. Maar ook binnen protestantse kerken die rechtstreeks teruggaan op de Reformatie in de zestiende eeuw, is de kinderdoop de laatste decennia minder vanzelfsprekend geworden.

Het gaat bij Everett om een glijdende schaal tussen familiale en conciliaire modellen. Beide aspecten spelen in de meeste kerken wel een rol, maar de verhouding tussen beide verschilt. Daaronder ligt een spanning in de theologische visie op wat ‘geloof’ is: het is immers enerzijds een gave van God en anderzijds een keuze van de mens. Die twee aspecten houden elkaar onder spanning. In het onderscheid tussen meer familiale en meer conciliaire ecclesiologische modellen speelt voorts een onderscheid in visie op de mens mee. Is de mens primair een autonoom individu, met rechten die voorafgaan aan elke relatie tot en gemeenschap met anderen en met een fundamentele geneigdheid het goede te doen, of is de mens veeleer het product van een bepaalde vorm van gemeenschap, heeft hij ook deze gemeenschap van meet af aan nodig om de eigen kwade neigingen te boven te komen, en is dat ook bepalend voor zijn rechten?

De kerkelijke werkelijkheid is dus te complex om kerken zonder meer in te delen in een schema van familiaal versus conciliair. Maar dit onderscheid roept wel vragen op bij de door ‘Straatsburg’ gekozen benadering dat de vrijheid van godsdienst adequaat gegarandeerd is met het recht een kerk te verlaten. Deze benadering zal in theologisch opzicht Spetz e.a. eerder overtuigen dan bijvoorbeeld Karlsson en Williamson: de laatsten behoren immers tot een kerk met een eerder familiale dan conciliaire ecclesiologie, en dat geldt vermoedelijk ook voor hun persoonlijke ecclesiologische visie die hoe dan ook sterk is gestempeld door de traditie! Juist voor zo iemand maakt de eigen geloofsovertuiging het moeilijk, zo niet onmogelijk om de kerk te verlaten. De verbondenheid met de bisschop die staat in de apostolische successie (de veronderstelde opvolging van de bisschoppen die uiteindelijk teruggaat op de apostel Petrus) wordt zeker door meer behoudende leden van (voormalige) staatskerken als die in Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk essentieel geacht.

In dit opzicht laat de zaak X/Denemarken een interessante spanning zien. De betrokken kerk is niet alleen staatskerk, maar ook bij uitstek een volkskerk: wie Deen is, behoort vanouds tot deze kerk, met slechts heel weinig uitzonderingen. Hoewel ook hier recent sprake is van een groeiend aantal uittredingen uit de kerk, worden de meeste kinderen nog met grote vanzelfsprekendheid gedoopt, ook al zijn de meeste Denen verder nauwelijks actief betrokken bij hun kerk. De geestelijke, X, die in Straatsburg een klacht indiende, nam juist hiervan afstand: hij stelde immers aan doopouders de voorwaarde dat zij vijf catechetische bijeenkomsten zouden bijwonen alvorens hij hun kind zou dopen. Daarmee schoof hij als het ware op in conciliaire richting: logischerwijs zou het dan voor hem ook minder ingrijpend kunnen zijn om zo nodig de kerk te verlaten.

Ook hier geldt naar mijn mening dat de door Straatsburg gekozen invalshoek tegen de grenzen van haar mogelijkheden aan loopt. Het Hof kan zelf niet kiezen voor een meer familiale of een meer conciliaire kerkopvatting. Het kan slechts proberen vast te stellen hoe een kerk waartegen een klacht wordt ingediend, zich in dit opzicht zelf verstaat. Als het Hof al zou kunnen en moeten vaststellen dat de betrokken kerk en de betrokken geestelijke een sterk familiale kerkopvatting delen, en dat daarom het verlaten van de kerk geen optie is, dan nog kan dat – juist daarom! – geen voldoende argument zijn om de geestelijke alsnog in het gelijk te stellen.

5.3.Verhouding art. 9 en 10 EVRM

Vermeulen signaleert in de Europese context enkele probleemvelden, samenhangend met culturele verschuivingen, die hem doen spreken van ‘the precarious status of religious freedom’.Vermeulen 2000 (noot 12), p. 23-26. Een daarvan is de ‘trivialization of (the freedom of) religion’. Secularisatie en individualisering hebben de wettelijke en morele status van religie verzwakt. Als religie wordt getrivialiseerd, dat wil zeggen louter wordt gezien als uitdrukking van subjectieve, puur persoonlijke gevoelens die alleen binnen het private domein relevant zijn, dan valt moeilijk in te zien waarom de vrijheid van godsdienst als een afzonderlijk recht, naast de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, zou moeten worden erkend.Vgl. in de Nederlandse discussie ook bijv.: P. Cliteur, Tegen de decadentie: de democratische rechtstaat in verval, Amsterdam: De Arbeiderspers 2004. In de beide Zweedse zaken voor de Commissie beriep de klager zich ook zelf op art. 9 én 10 EVRM.Voor een beroep op art. 10 EVRM in zaken tussen individuen en kerken zie ook: EHRM 6 september 1989, Rommelfanger/Duitsland, 12242/86, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-1010, en: EHRM 20 januari 2010, Lombardi Valauri/Italië, 39128/05,

http://hudoc.echr.coe.int/eng#{"itemid":["001-95150"]}. Het zal in de Europese context allereerst aan de kerken zelf zijn om in de publieke ruimte voldoende besef overeind te houden dat het bij godsdienst om meer gaat dan het vasthouden aan een aantal (wetenschappelijk niet bewijsbare vooronder)stellingen die door de vrijheid van meningsuiting voldoende zijn beschermd.

5.4.‘Identieke of althans substantieel soortgelijke overtuigingen’

Het bovenstaande wijst al op een culturele ontwikkeling die samenleving en kerken raakt, namelijk de sterk toenemende pluralisering, ook in religieuze zin. Er is geen sprake (meer) van een door de grote meerderheid gedeelde religieuze (of niet-religieuze) levensbeschouwing. Ook over de vormgeving en de waarde van de rechtsstaat kunnen de meningen fors uiteenlopen. Maar voor allen geldt niettemin die feitelijke context van de rechtsstaat, met inbegrip van zijn internationale componenten, en juist daarom is het van belang daarop zuinig te zijn. Alleen de rechtsstaat kan de belangen van de vele minderheden afdoende beschermen. In X/Denemarken overwoog de Commissie onder meer dat een kerk gekenmerkt wordt door ‘identical or at least substantially similar views’ (par. 1). Juist art. 9 EVRM geeft de kerk het recht uniformiteit in opvattingen af te dwingen, aldus de Commissie.

In de praktijk blijkt het echter voor veel kerken steeds lastiger dit te doen: ook binnen de kerken is sprake van een toenemende pluralisering in geloofsopvattingen. Dat verklaart ook waarom kerken nu uitermate voorzichtig zijn in het nemen van maatregelen tegen opvattingen die ingaan tegen wat vanouds als een zaak van vanzelfsprekende consensus wordt beschouwd – zoals we ook zagen in de zaken waaraan ik aan het begin van deze bijdrage refereerde. Feitelijk is in veel kerken sprake van een groeiende vrijheid van godsdienst voor het individu, ook voor de geestelijke.