Redactionele kanttekening: 2010-2 (April)
Prof. dr. P.C. Westerman
Volgens Plato moet alleen diegene de staat leiden, die de juiste opvoeding heeft genoten en kennis heeft van het ware, het goede en het schone. Aan hem de taak om ook de burgers op te voeden in ‘de totale deugd’.
Het is moeilijk om zich aan de dwingende kracht van de metafoor te onttrekken. Er moeten geen twee kapiteins op een schip zijn, laat staan tientallen matrozen, als je niet wilt dat het schip van staat met alle winden meewaait of roemloos ten onder gaat. Het geraffineerde van de metafoor is dat er twee dingen tegelijkertijd met elkaar worden vergeleken. Degene die de democratie daartegen wil verdedigen moet daarom altijd op twee fronten tegelijk slag leveren. Hij moet verdedigen dat de staat geen schip is. En hij moet aannemelijk maken dat burgers geen dronken matrozen zijn.
Beide wegen zijn wel bewandeld; met wisselend succes. Anders dan schepen, kan de democraat betogen, hebben staten geen vaste bestemming. De bestemming is er juist onderwerp van voortdurend debat. Kapiteins kunnen nuttig zijn om een eenmaal gekozen bestemming zo snel en veilig mogelijk te bereiken, maar de keuze van de bestemming zelf, daarover moeten de burgers het zien eens te worden, dronken of niet.
Tegelijkertijd moet aannemelijk worden gemaakt dat burgers geen dronken matrozen zijn. Een bekend argument is dat van de geaccumuleerde wijsheid. Volgens dat argument zijn eenzijdigheid, partijdigheid en kortzichtigheid geen nadeel maar een voordeel als je burgers allemaal bij elkaar zet, zoals in een parlement. Het is juist de combinatie van hun eenzijdige perspectieven die de meerwaarde genereert die afwezig zou zijn in een vergadering vol oppassende burgers die allen in hetzelfde stramien denken en die ook groter is dan de wijsheid van de best denkbare staatsman.
Men zou van de Rijksoverheid verwachten dat zij, waar zij zich al bezint op haar grondslagen, toch ten minste één van deze democratische tegenargumenten tot de hare zou maken. De democratische rechtsstaat is immers niets anders dan een institutioneel arrangement dat ervoor zorgt dat er niemand opgevoed hoeft te worden. De leiders niet omdat ze gecontroleerd worden door de burgers; de burgers niet omdat democratische en rechtsstatelijke procedures ervoor zorgen dat zij elkaar niet in hun wanordelijkheid vertrappen. Zelfs waar mensen hebzuchtig, wreed en immoreel zijn kunnen we toch altijd nog op de mechanismen van machtenscheiding, verkiezingen, en grondwettelijke verankering vertrouwen die ervoor zorgen dat noch heerszuchtige kapiteins noch dronken matrozen hun slag kunnen slaan.
Deze inzichten lijken echter niet meer vanzelf te spreken voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Al eerder publiceerde dit ministerie het ‘handvest verantwoordelijk burgerschap’ en als een logisch vervolg daarop werd de burger begin dit jaar verblijd met een weekkalender. De kalender beoogt niets minder dan de burger een jaar lang op te voeden tot verantwoordelijk burger. Onder de titel ‘samen voor de samenleving’ wordt de burger gemaand ‘ongeschreven normen en waarden’ in ere te houden ‘om op een prettige manier met elkaar samen te leven’. Elke week staat in het kader van weer een andere deugd. In de week van 22-29 maart wordt ons de scouting ten voorbeeld gesteld en worden we opgeroepen een goede daad te verrichten. Van 15-22 februari moeten we ‘van iedere dag een feest maken’ (niet alleen Pasen maar ook het Suikerfeest) en de week erop, nog maar nauwelijks bekomen van al dat feesten, moeten we weer ‘in verzet komen tegen onrecht’. En zo gaat het maar door. Uitgeput bereiken we de decembermaand en worden daar aangespoord ‘iets helemaal vrijwillig te doen’ en ‘iemands buddy te zijn’.
Plato kan tevreden zijn. Plato’s ideale wetgever ontwerpt immers wetten die ‘niet slechts een deel van de deugd, maar de gehele deugd’ aangaan. Hoewel een dagkalender misschien nog iets vollediger zou zijn, komen de 52 aanmaningen toch al een heel eind in die richting.
Maar hoe zit het met degenen die namens de overheid handelen? Worden ook zij door een jarenlange training voorbereid op dit verantwoordelijke metier? Volgens Plato bittere noodzaak: ‘Alleen zij die door opvoeding en levenservaring deze eigenschappen vervolmaakt hebben, zijn geschikt om de gemeenschap te leiden’. Geheel in Plato’s geest werd dan ook vorig jaar een zogenaamde code voor goed bestuur opgesteld. Deze code doet ‘een moreel beroep op de overheid om zich goed te gedragen’ en bevat ‘de gezamenlijke waarden op basis waarvan het openbaar bestuur functioneert’. De code verbiedt niet slechts het aannemen van steekpenningen, maar legt de lat hoger en ‘nodigt uit tot vertaling van deze waarden naar de eigen situatie en tot het nemen van actie: het actief uitdragen binnen en buiten de organisatie, een voorbeeld willen zijn en aanspreekbaar willen zijn op goed bestuur’.
Eveneens in de geest van Plato werd kennelijk aangevoeld dat morele deugden gebaseerd moeten zijn op kennis. Teneinde die kennis te ontwikkelen is dan nu ook het zogenaamde Essentieprogramma van start gegaan; een cursus die door hetzelfde Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werd ontwikkeld. Vijf ‘essenties’ voor het vak van ambtenaar worden daarin nader uitgelegd, en zij worden onveranderlijk aangeduid met de termen ‘besef’ en ‘bewustzijn’. De ambtenaar moet niet alleen maar iets weten, hij moet iets beseffen. En wat moet hij dan beseffen? Op de eerste plaats moet hij beseffen dat hij deel uitmaakt van het Concern Rijk. Hij moet ‘concernbewustzijn verkrijgen’. Concernbewustzijn? Het wordt elders uitgelegd: ‘belangrijk is dat je weet dat je als ambtenaar deel uitmaakt van het concern Rijk en in welke politieke en ambtelijke processen je als ambtenaar acteert’.
Het is vreemd gesteld met die woorden. Er wordt natuurlijk al decennialang gesproken over BV Nederland. Maar dan werd zo’n woord altijd nog gebruikt door politici, vooral als ze het hadden over het op orde brengen van huishoudboekjes. Dat het Rijk zichzelf presenteert als niets minder dan een concern, is nieuw voor me. Of zo oud als de wereld, want een concern is natuurlijk niets anders dan een schip dat regelrecht afstevent op één onbetwistbaar doel: winstmaximalisatie.
Maar men leert niet alleen concernbewustzijn aan in deze cursus; ook ‘burgerbewustzijn’ is een pijler. En wat dacht men van ‘integriteitsbewustzijn’? Ook één van de vijf essenties. Ik citeer weer: ‘Integriteit is méér dan alleen niet corrupt handelen, maar bijvoorbeeld ook in gelijke gevallen gelijk behandelen’. Het eerste artikel van de Grondwet is hiermee doeltreffend teruggebracht tot een onderdeel van ‘integriteit’. Eenzelfde behandeling ten slotte valt de democratische rechtsstaat zelf ten deel die de vijfde pijler uitmaken: ‘Rechtsstatelijk en democratisch besef’. Een goed ambtenaar ‘beseft’ dat hij onder democratische controle staat. Het is één van de vijf kardinale deugden van de moderne ambtenaar.
Wie nu geïnspireerd is geraakt tot verder leren en doorklikt (e-learning), ziet dat het allemaal wel meevalt met die éducation totale. Het burgerbewustzijn komt erop neer dat je als ambtenaar kennisneemt van opinieonderzoeken en helder communiceert. Het democratiebewustzijn wordt in precies 76 woorden uitgelegd. Wie benieuwd is naar hetgeen de ambtenaar uitgelegd wordt omtrent de Grondwet, raakt verzeild in een zogenaamde ‘canonclip’ ten behoeve van het voortgezet onderwijs, waarin tieners praten over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. De vijf deugden van de moderne rijksbrede ambtenaar zijn dus in een wip aangeleerd en heel wat sneller te verwerven dan de juiste mening en de deugden die Plato voor ogen stonden, die men pas op gevorderde middelbare leeftijd geacht werd ten volle te bezitten.
Wat moeten we hier nu van denken? Moeten we Guusje ter Horst voorstellen haar ambtenaren jaarlijks een agenda uit te reiken waarin elke dag voorzien wordt van de aanmaning om nu eens in overeenstemming te handelen met het opportuniteitsbeginsel, dan weer in lijn met het rechtszekerheidsbeginsel of ten slotte gewoon eens ‘aardig te zijn naar de klant’?
Nee. We mogen in onze handen knijpen met deze beknopte e-cursus. Want hoe meer rechtsstatelijke mechanismen vertaald worden in morele deugden, hoe groter het gevaar voor die rechtsstatelijke mechanismen zelf. Het mag zo zijn dat de minister ons in haar voorwoorden tot deze cursussen, codes en kalenders verzekert dat de formele regels niet worden vervangen maar slechts worden aangevuld met de aangeprezen morele kwaliteiten, maar de verleiding is natuurlijk wel erg groot om inbreuken op rechtsstatelijke beginselen en tekortkomingen van democratische procedures direct toe te schrijven aan falend concernbewustzijn of gebrekkig democratiebesef. Naar institutionele verbeteringen hoeft niet meer te worden gezocht; de falende amtenaar kan immers gewoon worden verplicht tot verder e-learning?
Daarmee gaan we natuurlijk uiteindelijk het schip in. Want in laatste instantie zijn we nu eenmaal geen haar beter dan dronken matrozen en heerszuchtige kapiteins en – zo blijkt maar weer – waaien we met alle winden mee.
PCW