Reisbevrachting en cognossementsvervoer

Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de verhouding tussen de reisbevrachting en het cognossementsvervoer als gevolg van de uitgifte en de overdracht van een order-cognossement bij de uitvoering van een reisbevrachting
Reisbevrachting en cognossementsvervoer
  • 978-94-90962-159
  • Handelsrecht
  • NTHR-reeks, deel 12
  • Mr. P.A.M. Seck
  • 560
  • 12-05-2011
  • € 79,00

Beschrijving

Het zeevervoer is de drijfveer van de wereldhandel: shipping is the life blood of global economy. Bij de exploitatie van schepen wordt gebruikgemaakt van charterpartijen en cognossementen. Deze hebben betrekking op verschillende vervoerovereenkomsten. Charterpartijen zijn onderworpen aan de contractsvrijheid en het cognossementsvervoer wordt beheerst door dwingend recht.

Bij de uitvoering van een reisbevrachting wordt ook een cognossement uitgegeven. Wanneer dit cognossement verhandeld wordt, dan komt de derde-cognossementhouder in beeld. De positie van deze derde-cognossementhouder wordt beheerst door het dwingende recht. Als gevolg van de verhandeling van het cognossement ontstaat er een tweede vervoerovereenkomst die parallel loopt aan de oorspronkelijke reisbevrachting.

Hoewel de reisbevrachting en het cognossementsvervoer autonoom zijn, kunnen zij toch met elkaar verweven raken. Dit komt door het gebruik van verwijzingen die beogen de charterbedingen in het cognossement te incorporeren. Daarnaast bevatten beide overeenkomsten meestal een paramount clause. Als gevolg daarvan ontstaat er een hechtere juridische band tussen deze overeenkomsten.

Dit boek beoogt inzicht te verschaffen in de autonomie van en de verwevenheid tussen de reisbevrachting en het cognossementsvervoer, evenals de verhouding tussen de contractsvrijheid, het formalisme van het cognossement en het dwingende recht.


De volgende onderwerpen staan centraal in dit boek:

- de verhouding tussen de reisvervrachter en de reisbevrachter;

- de positie van de derde-cognossementhouder in de vervoerovereenkomst;

- de incorporatie van de charterbedingen in het cognossement;

- het regime van de paramount clause;

- de invloed van de Rotterdam Rules.

Inhoudsopgave

Dedicace

Voorwoord

Lijst van afkortingen


1 Presentatie van het onderzoek

1.1 Belang en plaats van het goederenvervoer over zee in de internationale handel

1.2 Overeenkomsten van goederenvervoer over zee: autonomie en verwevenheid tussen de reisbevrachting en het cognossementsvervoer

1.3 Consensualisme van de vervoerovereenkomst en het gebruik van transportdocumenten

1.4 Charterpartij en cognossement: twee transportdocumenten bij de uitvoering van een overeenkomst van reisbevrachting

1.5 Belang uitgifte order-cognossement bij de reisbevrachting: de verhandelbaarheid van de lading

1.6 Gevolgen van de overdracht van het order-cognossement: het dualisme van de vervoerovereenkomst

1.7 Korte uiteenzetting van het onderzoek

1.8 Probleemstelling

1.9 Doelstelling van het onderzoek

1.10 Belang van het onderzoek

1.10.1 Juridisch belang van het onderzoek

1.10.2 Praktisch belang van het onderzoek

1.11 Plan van behandeling

1.12 De hoofdvragen


2 Bevrachting, cognossement en zeevervoer in historisch perspectief

A Inleiding. Het belang van een historische benadering van het onderwerp

2.1 In het oude zeerecht viel het goederenvervoer aanvankelijk geheel onder de overeenkomst van bevrachting

2.1.1 Inleiding op het oude zeerecht

2.1.2 Les Rôles d’Oléron

2.1.3 Il Consulato del Mare

2.1.4 Le Guidon de la mer

2.1.5 L’Ordonnance de la Marine van 1681

2.1.6 Wetboek van Koophandel 1838

2.1.7 Kritiek op de oude opvattingen omtrent de aard en het regime van de bevrachting en het cognossement

2.1.7.1 Een verouderde en onduidelijke regeling

2.1.7.2 Het schriftelijke vereiste was soms overbodig en bezwarend

2.1.7.3 In de oude regelingen werd de bevrachting als huur aangemerkt

2.2 De geleidelijke opkomst van het zeevervoer onder cognossement als een van de bevrachting afgescheiden vervoerovereenkomst

2.2.1 Bevrachting, vervoer en cognossement in de Bills of Lading Act 1855

2.2.2 Bevrachting, vervoer en cognossement in de Harter Act 1893

2.2.2.1 Parlementaire geschiedenis van de Harter Act

2.2.2.2 Is de Harter Act van 1893 van toepassing op bevrachtingen?

2.2.2.3 Tegenstrijdigheden in de vroege rechtspraak

2.2.3 Bevrachting, vervoer en cognossement in de Pomerene Act 1916

2.2.4 Bevrachting, vervoer en cognossement in het Wetboek van Koophandel van 1927

2.2.4.1 Het oorspronkelijke Wetboek van Koophandel van 1927

2.2.4.2 De invloed van de wetswijziging van 1955

2.2.4.3 De invloed van de wetswijziging van 1968

2.2.5 Bevrachting, vervoer en cognossement in de Franse wet van 1936

2.3 De correlatie tussen de aansprakelijkheid van de vervoerder en de opkomst van het dwingende cognossementsvervoer

2.3.1 Op de zeevervoerder rust sinds eeuwen een resultaatsverbintenis

2.3.2 Oorspronkelijk was de wettelijke aansprakelijkheid regelend van aard

2.3.3 De geleidelijke opkomst van de dwingende aansprakelijkheid bij het cognossementsvervoer

2.4 Samenvatting en conclusie omtrent de opkomst van het dwingende cognossementsvervoer


3 Rechtsverhouding tussen de reisvervrachter en de reisbevrachter, cognossementhouder

3.1 Inleiding

3.2 Afbakening en indeling van het hoofdstuk

3.3 Het algemene kader van de overeenkomst van reisbevrachting

3.3.1 De aard van de overeenkomst en de rol van de partijautonomie

3.3.2 De standaard charterformulieren

3.3.3 De totstandkoming van de reisbevrachting in de praktijk

3.4 Leidt de uitgifte van een order-cognossement aan de reisbevrachter tot de toepassing van het dwingende recht in de reisbevrachting of tot wijziging van de charterbedingen door het cognossement?

3.4.1 Historische ontwikkeling

3.4.1.1 Plaats van de reisbevrachting in de Hague Rules

3.4.1.2 De verhouding tussen charterpartij en cognossement in het Wetboek van Koophandel: art. 511 K

3.4.2 De situatie in het positieve recht

3.4.2.1 Plaats van de overeenkomst van reisbevrachting in de Hague-Visby Rules

3.4.2.2 De verhouding tussen charterpartij en cognossement in Boek 8 BW

Art. 8:410 BW jo. art. 8:441 lid 2 BW

Het uitgangspunt van art. 8:410 BW: cognossement als ‘mere receipt

De uitzondering van art. 8:441 lid 2 tweede volzin BW

De aanvulling van art. 8:441 lid 2 derde volzin BW

Art. 8:410 BW jo. art. 8:441 lid 2 BW vergeleken met art. 511 K

Enkele bijzondere situaties

Derde-cognossementhouders handelend in eigen naam doch in opdracht en voor rekening van de reisbevrachter: de ‘Enarxis

Reisbevrachter als cessionaris van de derde-cognossementhouder

Invloed van de ‘superseding clause’ of ‘supercession clause

3.4.3 De situatie in het Franse zeerecht

3.4.4 De situatie in het Engelse zeerecht

3.5 Samenvatting en conclusies van hoofdstuk 3


4 Rechtsverhouding tussen de vervoerder en de derde-cognossementhouder

4.1 Inleiding, af bakening en indeling van het hoofdstuk

4.2 Algemene beschouwingen over de zelfstandige positie van de derdecognossementhouder: het ‘losmakingsproces’

4.2.1 Het cognossement als bijzonder transportdocument

4.2.1.1 Het begrip cognossement

4.2.1.2 De verschillende functies van het cognossement

Het cognossement als ‘document of title’ in het Engelse zeerecht

Het cognossement als ‘titre représentatif de la marchandise

Enige rechtsvergelijkende opmerkingen over de kernfuncties van het cognossement

4.2.1.3 Bijzondere kenmerken van het cognossement uitgegeven bij de uitvoering van een reisbevrachting

4.2.2 De ‘toetreding’ van de derdehouder in het cognossementsvervoer

4.2.2.1 De overdraagbaarheid van het order-cognossement

4.2.2.2 De derde als recht- en regelmatig cognossementhouder

Recht- en regelmatig houderschap van het cognossement

Derdehouderschap van het cognossement te goeder trouw

De presentatie van het cognossement ter bestemming door de derde

4.2.2.3 De aanwijzing van de vervoerder(s) onder cognossement

4.3 Theoretische verklaring voor de autonomie van het cognossement en voor de bijzondere positie van de derde-cognossementhouder

4.3.1 Theoretische verklaring voor de autonomie van het cognossement: aansluiting bij het leerstuk van het waardepapierenrecht

4.3.1.1 Enkele kenmerken van het waardepapierenrecht

4.3.1.2 Het cognossement als waardepapier

4.3.1.3 Is de verbintenis uit het cognossement abstract of causaal?

De Nederlandse opvattingen omtrent de aard van de verbintenis

De Franse opvattingen omtrent de aard van de verbintenis

Enkele uitspraken uit de Nederlandse en Franse rechtspraak

4.3.2 De theoretische verklaring van de rechtspositie van de derde- cognossementhouder als partij bij het cognossementsvervoer

4.3.2.1 De heersende rechtsopvatting: het cognossement bevat een derdenbeding

4.3.2.2 Enkele kritische opmerkingen omtrent de leer van het derdenbeding uit cognossement

Het ‘nationale’ gehalte van het derdenbeding verdraagt zich niet met de internationale uitstraling van het cognossement(svervoer)

Kritiek op leerstuk derdenbeding in de Nederlandse doctrine

Kritiek op leerstuk derdenbeding in de Franse doctrine

De obligatoire positie van de derdehouder naar Engels recht

4.3.2.3 Eigen opvatting: een bijzonder contractueel mechanisme

4.4 Uitwerking van het ‘autonomiebeginsel’ in het positieve recht

4.4.1 Dualisme van het vervoersregime: het cognossementsvervoer naast de oorspronkelijke overeenkomst van reisbevrachting

4.4.1.1 Korte historische beschouwing over de Hague Rules

4.4.1.2 Het begrip vervoerovereenkomst in de Hague Rules

Contract of carriage covered by a bill of lading or similar document of title

Bill of lading or any similar document of title issued under or pursuant to a charter party

4.4.2 De nadere invulling van de zelfstandige rechtspositie van de derdecognossementhouder: artikelen 8:441 en 8:414 BW

4.5 Samenvatting en conclusies van hoofdstuk 4 / 221


5 Incorporatie van de charterbedingen in het cognossementsvervoer

5.1 Inleiding en af bakening van het hoofdstuk

5.1.1 Inleiding op het leerstuk van de verwijzing in het cognossement

5.1.2 Afbakening en indeling van het hoofdstuk

5.2 Voorwaarden voor een geldige verwijzing in het cognossement

5.2.1 Het vereiste van een verwijzing in het overgedragen cognossement

5.2.1.1 Nederlands zeerecht: een verwijzing naar de charter in het cognossement

Feiten en procesverloop bij rechtbank en hof

De Hoge Raad

Commentaar arrest Hof Amsterdam in de Akin

5.2.1.2 Frans zeerecht: verwijzing of incorporatie ‘in extenso’?

5.2.1.3 Engels en Amerikaans zeerecht

5.2.2 Aanvullende voorwaarden naast de verwijzing in het cognossement

5.2.2.1 Nederlands recht: de charterbedingen waarnaar verwezen wordt moeten voor de derde-cognossementhouder ‘duidelijk kenbaar’ zijn

5.2.2.2 Aanvullende voorwaarden naast de verwijzing in het cognossement in het Franse zeerecht / 247

De heersende opvatting in de Franse overheidsrechtspraak

Enkele afwijkende opvattingen in de Franse rechtspraak

5.2.2.3 Aanvullende voorwaarden naast de verwijzing in het cognossement in het Engelse en Amerikaanse recht

5.2.3 Rust op de derde-cognossementhouder een onderzoeksplicht met betrekking tot de verwijzing in het cognossement?

5.3 Uitleg van de verwijzing in het cognossement

5.3.1 Uitleg van de algemene verwijzing strekkend tot incorporatie van alle charterbedingen in het cognossement

5.3.1.1 Uitleg van de algemene verwijzing in Nederland

5.3.1.2 Uitleg van de algemene verwijzing in Frankrijk

5.3.1.3 Uitleg van de algemene verwijzing in Engeland en Amerika

Eerste stap: de identificatie van de charterpartij

Tweede stap: aanwijzing van de te incorporeren charterbedingen

Derde stap: aanpassing van de geïncorporeerde charterbedingen door middel van de ‘verbal manipulation

5.3.2 Uitleg van de verwijzing bij de incorporatie van het arbitragebeding

5.3.2.1 Incorporatie van het arbitragebeding naar Nederlands zeerecht

Incorporatie van het arbitragebeding in de oude rechtspraak

Wettelijk kader van het arbitragebeding in het huidige Nederlands recht

Geldende rechtspraak over de incorporatie van het arbitragebeding

5.3.2.2 Incorporatie van het arbitragebeding naar Frans zeerecht

Verdeeldheid in de oude overheidsrechtspraak

Unificatie van de Franse overheidsrechtspraak in de ‘Lindos’- en ‘Pella’-arresten

Rechtspraak van de ‘Chambre Arbitrale Maritime de Paris’ (CAMP)

5.3.2.3 Incorporatie van het arbitragebeding in Engeland en de VS

5.4 Effecten van de charterbedingen in het cognossementsvervoer

5.4.1 Effecten ‘f.i.o.s.t.’-beding jegens de derde-cognossementhouder

5.4.2 Effecten op de derde-cognossementhouder van de geïncorporeerde charterbedingen aangaande de vracht, de kosten en het overliggeld

5.4.3 Effecten van het ‘lien’-beding jegens de derde-cognossementhouder

5.4.4 Effecten van ‘Owners Responsibility Clause’ jegens de derdehouder van het cognossement

5.5 Samenvatting en conclusies van hoofdstuk 5


6 Invloed van de Paramount clause op het regime van de vervoerovereenkomst

6.1 Inleiding en af bakening van het hoofdstuk

6.1.1 Overeengekomen toepassing van de Rules

6.1.2 Plan van behandeling

6.2 Algemene opmerkingen omtrent de paramount clause

6.2.1 Definitie en functie van de paramount clause

6.2.2 Enkele opmerkingen over de historie van de incorporatie

6.2.2.1 De incorporatie van de Harter Act 1893 door ‘private carriers

6.2.2.2 Historie van de paramount clause en de opkomst van de Hague Rules

6.2.2.3 De ‘USA Clause Paramount’ uit Section 13 van de US COGSA 1936 / 339

6.2.3 De paramount clause als scope bepaling in de Hague-Visby Rules en de Hamburg Rules

6.3 De paramount clause in het internationaal privaatrecht

6.3.1 De rechtskeuzevrijheid bij de reisbevrachting

6.3.1.1 Noodzakelijke aanknoping bij een rechtssysteem of verdrag

6.3.1.2 Partijautonomie bij de reisbevrachting

6.3.1.3 De grenzen van de partijautonomie in het IPR

6.3.2 De paramount clause als rechtskeuzebeding

6.3.2.1 De paramount clause als conflictenrechtelijk rechtskeuzebeding

6.3.2.2 De paramount clause naast de ‘choice of law clause

6.4 Toetsing en uitleg van de paramount clause

6.4.1 De toetsing van de paramount clause

6.4.2 Uitleg van de paramount clause

6.4.2.1 Algemene regels omtrent de uitleg van overeenkomsten

6.4.2.2 Uitgangspunt bij de uitleg van de paramount clausein de reisbevrachting

6.4.2.3 Uitleg van enkele standaard bepalingen van de paramount clause

Het begrip ‘This bill of lading’ in de charterpartij

The Hague Rules as enacted

The corresponding legislation of the country of destination

Het begrip ‘shipments to which no such enactments are compulsorily applicable

6.4.2.4 Welke Rules worden krachtens een paramount clause toegepast: Hague Rules, Hague-Visby Rules, ‘Act’ of Hamburg Rules?

Keuze tussen verschillende Rules genoemd in de paramount clause

Keuze van de Rules in geval van conflict van verdragen

Invloed van het verdragsrechtelijke overgangsrecht op de keuze van de Rules

6.5 Rechtsgevolgen van de paramount clause in cognossement en charter

6.5.1 Rechtsgevolgen van de paramount clause die naar de Hague Rules, de Hague-Visby Rules of een geïncorporeerde versie daarvan verwijst

6.5.1.1 Rechtsgevolgen van de paramount clause indien de Hague-Visby Rules ‘ex proprio vigore’ van toepassing zijn: art. 10(a)(b)

6.5.1.2 Rechtsgevolgen van de paramount clause als scope bepaling in de Hague-Visby Rules: art. 10(c)

6.5.1.3 De paramount clause verwijst naar de Hague Rules ‘as enacted’ of naar de Hague Rules ‘as such

6.5.2 Rechtsgevolgen in Nederland en Frankrijk van een paramount clause die naar de Hamburg Rules verwijst

6.5.3 Enige bijzondere rechtsgevolgen van de Rules in de reisbevrachting

6.5.3.1 De gevolgen van een volledige incorporatie van de Rules in de charter: ‘contractual paramouncy’ en ‘overriding effect

6.5.3.2 De gevolgen van een gedeeltelijke incorporatie van de Rules

6.6 Samenvatting en conclusies van hoofdstuk 6


7 Reisbevrachting en cognossementsvervoer onder de Rotterdam Rules

7.1 De verhouding tussen de reisvervrachter en de reisbevrachter onder de Rotterdam Rules

7.1.1 Toepassing van de Rotterdam Rules op de reisbevrachting

7.1.2 Verhouding charterpartij en ‘negotiable transport document’ onder de Rotterdam Rules

7.2 Verhouding tussen de vervoerder en de derdehouder van een ‘negotiable transport document’ onder de Rotterdam Rules

7.2.1 Het losmakingsproces onder de Rotterdam Rules

7.2.2 Theorieën omtrent de ‘negotiable transport document’ onder de Rotterdam Rules

7.2.3 Uitwerking zelfstandige positie derdehouder onder de Rotterdam Rules

7.3 De Rotterdam Rules en de incorporatie van de charterbedingen door middel van een verwijzing in de ‘negotiable transport document

7.3.1 Voorwaarden voor de incorporatie van de charterbedingen in een ‘negotiable transport document

7.3.2 Uitleg van de verwijzing onder de Rotterdam Rules

7.3.3 Effecten van de verwijzing onder de Rotterdam Rules / 431

7.4 Toepassing van de Rotterdam Rules op grond van een paramount clause

7.4.1 Redenen van de schrapping van de paramount clause

7.4.2 Effecten schrapping paramount clause uit de Rotterdam Rules

7.5 Samenvatting en conclusies hoofdstuk 7


Summary

Resumé

A CHAPITRE 7. AFFRETEMENT AU VOYAGE ET CONTRAT DE TRANSPORT MARITIME DANS LES REGLES DE ROTTERDAM


Verkort aangehaalde literatuur

Geraadpleegde websites

A www.bimco.dk

B www.brookes-and-co.co.uk

C www.iml.soton.ac.uk

D www.lexinter.net

E www.onlinedmc.co.uk


Jurisprudentieregister

Curriculum Vitae


Auteur

P.A.M. Seck studeerde handelsrecht in Senegal (Université CAD Dakar) en specialiseerde zich daarna in het Franse zeerecht en internationaal vervoerrecht (Université Aix-Marseille III). Na het behalen van zijn doctoraal Nederlands recht (Universiteit van Amsterdam) is hij in dienst getreden bij een groot verzekeringsbedrijf waar hij zich thans bezighoudt met het geven van advies en voeren van procedures op het gebied van het transportrecht en het handelsrecht.